Magere grazers; Beheer van de Oostvaardersplassen vergt kunst- en vliegwerk

Ooit waren de Oostvaardersplassen puur natuur en hun ontstaan was louter toeval. Maar het in stand houden van dit vogel-dorado stuit op problemen en de grote grazers komen er bekaaid af.

DE OOSTVAARDERSPLASSEN bieden veel stof tot discussie. Bijvoorbeeld over het waterpeil, dat kunstmatig wordt beheerst. Over de aalscholvers, die veel te veel vis zouden eten. Over de vos met zijn voorliefde voor jonge lepelaars, en over de lepelaars zelf, die dit voorjaar massaal naar de Waddeneilanden vertrokken, vermoedelijk uit protest tegen het lage waterpeil.

Het meest omstreden is de manier waarop de beheerders omspringen met de grote grazers. Hun verzorging, of liever gezegd het gebrek daaraan, leidde in de afgelopen strenge winter zelfs tot Kamervragen. Bovendien laten de beheerders de rottende kadavers van dode koeien en paarden in het terrein liggen als voer voor grote en kleine aaseters. Om de kritiek te pareren hield Staatsbosbeheer onlangs open huis.

Nu de inrichting van het gebied min of meer klaar is, heeft Staatsbosbeheer het beheer van de Oostvaardersplassen eind januari overgenomen van Rijkswaterstaat. Zo'n 25 jaar geleden vormde dit moeras tegen de Oostvaardersdijk aan het laagste deel van de in 1968 drooggevallen Flevopolder. Eerst wilde men het opspuiten als industrieterrein. Maar toen de economische groei begin jaren zeventig tegenviel, bleef het gebied een tijdlang ongemoeid. En ineens was hier zomaar vanzelf een natuurgebied van internationale allure ontstaan. Er streken tienduizenden grauwe ganzen neer. Schaars geworden vogelsoorten als aalscholver, lepelaar, blauwborst en baardmannetje beleefden een spectaculaire come-back. “Zij namen vanuit de Oostvaardersplassen de rest van het land weer in bezit”, zegt directeur Maarten Brabers van Staatsbosbeheer. “Ook doen miljoenen vogels het gebied aan op hun trek van West-Afrika naar het hoge noorden en omgekeerd. Al met al zijn in de Oostvaardersplassen 250 vogelsoorten geteld.”

TUINVIJVERTJE

Maar een moeras groeit, zoals iedere bezitter van een tuinvijvertje weet, langzaam maar zeker dicht als je er niets tegen doet. In de Oostvaardersplassen zijn het de grauwe ganzen die de verlanding tegengaan door rietplanten te eten. Door een te sterke groei van het aantal grauwe ganzen werd steeds meer riet opgeruimd. Op den duur ontstond een grote open watervlakte, die voor veel vogelsoorten minder interessant is. Daarom is het moerasgebied uitgebreid met graslanden, waar de ganzen ook terecht kunnen. In de herfst zitten hier tienduizenden ganzen tussen het gras. Grauwe ganzen, maar ook kolganzen, brandganzen, kleine rietganzen, zover het oog reikt. Ze hebben gezelschap van de grote grazers die het gebied open moeten houden door jonge boompjes weg te knagen. Met dat doel zijn Heckrunderen en konikpaarden en later ook edelherten ingevoerd. Reeën zijn vanzelf gekomen. Over introductie van de eland wordt nog nagedacht.

's Zomers zitten de grote grazers het liefst in de weilanden. Pas 's winters, als ze niets anders te eten hebben, gaan ze de boomopslag te lijf. “Daarom voeren we ze nooit bij”, zegt Brabers. “Ze hebben eten genoeg, ze gebruiken zelfs nog niet eens het hele terrein.”

Tot vorig jaar leefden in de Oostvaardersplassen zelfs te weinig grote grazers om het hele gebied bij te houden. In een deel van het terrein werd 's zomers ook vee van boeren uit de omgeving ingeschaard. Dit jaar heeft men voor het eerst genoeg eigen dieren om het hele terrein jaarrond te begrazen. Er lopen nu zo'n 300 koniks, 450 heckrunderen en 200 à 250 edelherten, die tezamen zo'n 2000 hectare droog terrein jaarrond begrazen. In de moerassen wagen ze zich niet. Volgens terreinbeheerder J. van den Bosch heeft een dichtheid van 1 grazer per 2 hectare precies de juiste invloed op het landschap. “Heb je er minder, dan komt er te veel bos. Zijn het er meer, dan krijg je overbegrazing.”

Het ligt echter voor de hand dat de kuddes blijven groeien en dan met grote grazers 'overbevolkt' zullen raken. Wat dan? “Bijvoeren in elk geval niet”, vindt Brabers. “Daarmee los je niets op en hou je alleen maar kunstmatig een te hoge dichtheid in stand. Misschien gaan we ze dan afschieten. Of we verkopen het overschot aan andere natuurterreinen. Daar zijn we nog niet uit.”

Overigens zijn er veel protesten tegen de wijze waarop de dieren, ook bij extreme kou, als er helemaal niets te eten valt, aan hun lot worden overgelaten. Strikt genomen zijn deze 'oer'-paarden en koeien ten slotte gewone landbouwhuisdieren. Ze zijn hier door de mens gebracht, ze zitten in een omheind terrein en kunnen geen kant uit. Het officiële beleid, zoals ook onlangs door de Raad voor Natuurbescherming over de Oostvaardersplassen geadviseerd, luidt dat crepeergevallen alleen uit hun lijden worden verlost als ze zich binnen een voor het publiek toegankelijk gedeelte van het terrein bevinden of in veterinair kwetsbare locaties, grenzend aan landbouwgronden.

P. Kostlijk, veehouder bij Lelystad, is het daar absoluut niet mee eens. “Het gaat niet om wilde dieren, maar om landbouwhuisdieren”, zegt hij. “Staatsbosbeheer voert ze in de winter niet bij, ook al is er niets te eten. Hierdoor verliezen de dieren 's winters 30 tot 40 procent van hun lichaamsgewicht. Daarna staan ze in het voorjaar voor de grote krachtsinspanning van de geboortes, waarbij tientallen dieren sterven.”

De afgelopen winter zijn er volgens Kostlijk 40 grote grazers in het gebied gestorven, waarvan ongeveer 20 kadavers door de Algemene Inspectie Dienst zijn teruggevonden. Andere dieren, die zich in een stil hoekje terugtrekken om te sterven, worden in het ruige terrein niet teruggevonden. Bovendien vindt Kostlijk dat er bij de kuddes paarden veel te veel hengsten lopen. Hun wilde, agressieve gedrag zou tot een hoge sterfte onder de pasgeboren veulens leiden van naar schatting 30 tot 40 procent. Kostlijk: “Als zo'n veulen nog niet kan staan, wordt het onder hun hoeven vertrapt. Soms vlucht de merrie in paniek weg als de kudde op hol slaat en daarna vindt ze haar pasgeboren veulen nooit meer terug.” Vorig jaar werd zo'n verweesd veulen, aldus Kostlijk, door de politie in beslag genomen.

VERWONDINGEN

Volgens D.W. van Liere van de Dierenbescherming wordt de Landelijke Inspectiedienst van de Dierenbescherming inderdaad al een aantal jaren geconfronteerd met klachten over grazers in natuurterreinen die verwondingen hebben, in volledig ondergestroomde velden lopen, met hoge recreatiedruk kampen, verhongeren, verdrinken of de dood vinden, ingesnoerd in een omrastering of tijdens het werpen. Van Liere wijst erop dat een ieder die dieren houdt in een omheind terrein op ethische, maar ook juridische gronden verplicht is om ze de nodige zorg te bieden.

Brabers erkent dat het hek de dieren tegenhoudt, maar volgens hem is het bepalend of de dieren binnen dat hek genoeg voedsel kunnen vinden en dat is naar zijn mening het geval. Hij zegt dat de grote grazers de afgelopen winter in puike conditie waren. “Wij laten de dieren echt niet verkommeren door voedselgebrek of gebrek aan water en er komt elke maand een dierenarts langs”, aldus Brabers.

Het opruimen van de kadavers is een ander heikel punt. Boeren in de omgeving - die op grond van de Destructiewet zelf verplicht zijn alle kadavers op eigen kosten te laten afvoeren naar een destructiebedrijf - vrezen dat hun vee besmet kan raken als Staatsbosbeheer de dode koeien en paarden gewoon in het veld laat liggen rotten. In oktober heeft staatssecretaris Terpstra van Volksgezondheid echter aan de beheerders van de Oostvaardersplassen ontheffing van de Destructiewet verleend. Aan die ontheffing, die elk half jaar wordt geëvalueerd, is een aantal voorwaarden verbonden. De veestapel moet bijvoorbeeld vrij zijn van een aantal besmettelijke ziekten. Voorlopig worden daarom alle kadavers afgevoerd voor veterinair onderzoek. Daarna zal de 'afbraak van de weke delen van de kadavers door natuurlijke organismen' een kans krijgen binnen het ecologisch natuurbeheer.

Inlichtingen over excursiemogelijkheden: Informatiecentrum Oostvaardersplassen, tel. 0320 254585.

    • Marion de Boo