John Major: dit land heeft zijn vertrouwen en levenslust herwonnen; 'Zieke man van Europa' herstelt

Verkeert de Britse economie in een staat van genade of is de groei niet meer dan een façade waarachter een economische bouwval schuilgaat? Balans aan de vooravond van de laatste begroting voor de verkiezingen.

LONDEN, 23 NOV. De postercampagne heeft deze zomer maar heel kort geduurd. De boodschap herinnerde toch teveel aan de voorbije economische winter. 'Ja, het deed pijn. Ja, het heeft gewerkt', stond er in het engels op de affiches. Getekend: de Conservatieve partij.

De poster verwees naar de diepe recessie tussen 1990 en 1992 en naar de strenge monetaire maatregelen die de economie in de jaren daarna weer op orde moesten brengen. Zwaar gekelderde huizenprijzen, grootscheepse saneringen in alle bedrijfssectoren en een stortvloed van - veelal indirecte - belastingverhogingen hadden diepe wonden nagelaten. Drie jaar na het einde van de recessie signaleerden opiniepeilers pas weer een kiem van vertrouwen in betere tijden. In de vorige begroting ging de inkomstenbelasting voor het eerst sinds de verkiezingen van 1992 omlaag.

Maar het lange lijden is niet voor niets geweest, was de boodschap die premier Major deze maand nog verspreidde. Al vermeed hij angstvallig om op die zware jaren in te gaan. Liever herinnerde hij aan die andere onheilsdagen, eindjaren zeventig toen Labour nog aan de macht was. De Britse economie stond destijds bekend als “de zieke man van Europa”. “Verlamd door stakingen, zuchtend onder een voortwoekerende staat en een extreme belastingdruk, verwoest door inflatie.” Daar tegenover zette hij het economisch succes waarin Groot-Brittannië zich tegenwoordig wentelt. Hij zei dat het land zijn vertrouwen en levenslust herwonnen heeft.

In de aanloop naar de verkiezingen laten de Conservatieven geen gelegenheid voorbijgaan om hun economische verworvenheden uit te venten. De economische groei is al vier jaar groter dan in Duitsland of Frankrijk, 2,3 procent in 1996. Voor volgend jaar verwachten economen de sterkste stijging in de G7, het elitecorps van geïndustrialiseerde landen: ruim drie procent. Voeg daarbij een werkloosheidspercentage van 7,2 procent, een basisrente van zes procent, een inflatie van circa drie procent. “En geen wonder”, zegt premier Major, “dat de hele wereld met afgunst naar ons kijkt.”

Bijval kreeg de Britse regering nog onlangs van de Oeso, de organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling. Structurele hervormingen sinds de Conservatieven in 1979 aan de macht kwamen, “hebben een goede basis gelegd voor een gunstige ontwikkeling op langere termijn”, vond de Oeso. De economie is flexibeler en concurrerender geworden. In bestrijding van werkeloosheid doen alleen de Verenigde Staten het beter dan het Verenigd Koninkrijk.

Toch durft de oppositie te beweren dat de Conservatieven een economische puinhoop hebben geschapen. Zeker, bevestigt Labour, de economische groei in de laatste vier jaar oogt imponerend. Maar die sterke stijging weerspiegelt alleen maar het diepe dal waarin de regering het land daarvoor had gestort. Conservatief wanbeleid heeft Groot-Brittannië de twee langste en diepste recessies bezorgd sinds de crisisjaren dertig: van 1979 tot 1981 en van 1990 tot 1992. De economische groei tussen 1979 en 1994 was lager dan in welke vergelijkbare periode dan ook. In die eerste vijftien jaar van Conservatieve regering slipte Groot-Brittannië op de wereldwelvaartsranglijst van plaats dertien naar achttien. Honderd jaar geleden was het Britse rijk de onbetwiste eerste, in 1950 stond het Verenigd Koninkrijk nog op plaats vier.

Een ander staaltje van wanbeleid vindt Labour de verviervoudiging van de staatsschuld onder de Conservatieven tot 385,5 miljard pond. Ondanks inkomsten uit Noordzee-olie van 77 miljard pond. Ondanks de privatiserings-opbrengst van 72 miljard pond. Die meevallers zijn niet gebruikt om de verouderde infrastructuur te verbeteren of de zwakke industriële basis te versterken. Ook hebben ze die douceurtjes niet gebruikt om lasten voor de burgers te verlichten. Ondanks het met de mond belijden van een terugtredende staat zijn de overheidsuitgaven nog altijd 42 procent van het bruto binnenlandse produkt, vrijwel net zo hoog als onder de laatste Labour-regering. Volgens Labour hebben de Conservatieven zeventien jaar gepotverteerd.

In zijn bestseller The State We're In velt de hoofdredacteur van The Observer, Will Hutton een even hard maar toch meer afgewogen oordeel. Hij prijst de Conservatieven omdat ze het Britse kapitalisme nieuw leven hebben ingeblazen. Ze hebben het land bevrijd uit de wurggreep van de vakbeweging. Tussen 1973 en 1979 kwam de jaarlijkse groei van de arbeidsproduktiviteit in Groot-Brittannie met 1,2 procent maar halverwege het Europese gemiddelde.

Pag.18: 'Vooruitgang Albion had een hoge prijs'

Tussen 1979 en 1994 groeide de Britse produktiviteit jaarlijks met 1,9 procent, meer dan in Frankrijk, Duitsland en de VS. De prijs voor die vooruitgang was volgens Hutton erg hoog. Een onbegrensd vertrouwen in de vrije marktkrachten maakte de kloof tussen rijk en arm zo groot dat de sociale samenhang in de Britse maatschappij onherstelbaar geschaad is. Minimale rechtsbescherming voor werknemers leidde tot verlies aan betrokkenheid en groeiende onzekerheid. Door het Amerikaanse model voor een flexibele markt te kopiëren hebben de Conservatieven het land opgezadeld met “het slechtste van twee werelden”. Zonder de dynamiek van de VS. Zonder de coherentie en het lange-termijndenken van de Europese vastelanders. Nergens in de geïndustrialiseerde wereld zijn bedrijven zo terughoudend om te investeren als in Groot-Brittannië. Zelfs op een moment dat voor oververhitting van de economie gevreesd wordt, ligt het investeringsniveau lager dan in de nadagen van het laatste Labour-bewind.

In zijn standaardwerk The Chancellors beschrijft Edmund Dell aan de hand van de bewindslieden die tussen 1945 en 1990 het economisch beleid bepaalden, de economisch neergang. Zijn relaas is een ontluisterende litanie van monetair wanbeleid. Dieptepunt vormt Labour-minister Dennis Healey die in 1976 bij een gierende inflatie van 26,9 procent de hulp van het Internationaal Monetaire Fonds moest inroepen. Ex aequo met de Conservatieve minister Nigel Lawson die in 1988 een economie in de overdrive tot ontploffens stimuleerde.

Als het boek verder had gereikt dan 1990 zou zeker ook de Conservatieve minister Norman Lamont hebben meegedongen, die zich te lang tegen een onvermijdelijke valutacorrectie verzette en op 16 september 1992, Zwarte Woensdag, zwaar gestraft werd met een verbanning uit het Europees wisselkoers mechanisme, een devaluatie van tien procent en een renteverhoging van vijf procent. “Een land zo rijk als het Verenigd Koninkrijk zou in staat geweest moeten zijn geweest, de crisis en vernederingen te vermijden,” verzucht Dell.

Martin Weale, directeur van het National Institute of Economic and Social Research, zegt dat Britse regeringen er nooit slaagden om economisch eb en vloed zo geleidelijk te laten verlopen als in andere landen van de G7. De pieken zijn er hoger dan bij andere, grote, Europese landen. Dat geldt in versterkte mate voor de dalen. Juist die diepe dalen hebben op de industriële basis een verwoestend effect.

Economische ontsporingen beginnen in Groot-Brittannië bijna altijd in de aanloop naar een verkiezing. Economen herinneren zich nog levendig de belastingverlaging in 1987 van Nigel Lawson die de inflatie op deed laaien. In hun geheugen gegrift staat ook de belastingverlaging in 1992 van Norman Lamont die in de jaren daarna door een reeks van belastingverhogingen gecompenseerd moest worden. Minister van Financiën Kenneth Clarke die zich de laatste jaren een behoedzaam schatbewaarder toonde, heeft bezworen dat hij die blunder niet zal maken. Maar de druk vanuit de zwaarbelaagde Conservatieve partij is groot om potentiële kiezers met een feestbegroting te paaien.

Misschien wel net zo groot als het wantrouwen onder economen tegen Britse politici die herkozen willen worden. Econoom Richard Jeffrey van de firma Charterhouse ziet alarmerende overeenkomsten met eind jaren tachtig toen de geldontwaarding ook uit de hand dreigde te lopen. Hij waarschuwt dat een grootscheepse belastingverlaging het recente economische succes van Groot-Brittannië weer gemakkelijk kan teniet doen. Net op een moment dat de Conservatieven een halve eeuw neergang hebben gekeerd.