Jacht (4)

Jagen deed de mens reeds voordat er van enige cultuur sprake was en is steeds een wezenlijk en noodzakelijk bestanddeel geweest van iedere beschaving, dat alle culturen heeft overleefd.

Het is van het brute, op beestachtige wijze bemachtigen en doden van wild, zoals dat in de oertijd van het menselijk bestaan en nog lang daarna plaatsvond, geëvolueerd tot een aan de huidige omstandigheden aangepast en gedisciplineerd ingrijpen in de fauna door de huidige, recreatief jagende mens, waarbij het 'duurzame benutten' van het jachtwild, een natuurlijke voedselbron, voorop staat.

Het niet gebruiken van deze natuurlijke voedselbron is voedselverspilling en dat is ethisch niet verantwoord in een wereld waar reeds ongeveer zes miljard mensen wonen, waarvan er bijna een miljard honger lijden.

Daar waar diersoorten verdwijnen is zeker niet de recreatief jagende mens de oorzaak, maar veeleer de mens (wij met z'n allen), die in zijn voortplantingsijver, ondanks het bezit van ratio, niet de grens weet te bepalen van zijn eigen bevolkingsgrootte. Als dieren konden praten zou het dagelijks weerkerende thema van gesprek zijn 'de mensenplaag', niet vanwege de recreatieve jacht maar vanwege het opeisen door de mens van te veel levensruimte voor hemzelf, ten koste van de levensruimte van dier- en plantensoorten.

Zo is het niet alleen maar denkbeeldig dat Nederland ooit het Hongkong van West-Europa wordt en dat ons land één cultuursteppe wordt van steen, beton, asfalt, ijzer, glas en water met hier en daar nog een kleine oase van groen waar nauwelijks plaats is voor recreanten, laat staan voor in het wild levende dieren.

Doch zo lang het nog kan, moet jagen en vissen mogelijk blijven in ons land ondanks de tijd van verandering waarin we leven. Koningin Beatrix stelde in haar kerstboodschap 1991: “Juist in deze tijd van verandering moeten we uitgaan van hetgeen de toets der eeuwen heeft doorstaan, gericht op het behoud van het goede.” Welnu, de legale jacht heeft die toets doorstaan, ze heeft alle culturen overleefd en is vandaag uitsluitend gericht op behoud van het goede en wel het behoud van fauna en flora en het duurzaam gebruik maken van het wildbestand.

Voor die duurzame benutting dient de jager wel de mogelijkheid geboden te worden continu regulerend op te treden in de vossenstand en de kraaiachtigen-populatie. Die mogelijkheid was er tot op heden steeds en daarbij is het voortbestaan van geen van de genoemde diersoorten ooit in gevaar geweest.

Waar wild is zijn altijd jagers, maar ook stropers geweest; waar wild is en geen jagers meer, zijn alleen nog stropers. Dat kunnen we vandaag weer constateren in het natuurreservaat de Biesbosch, alwaar niet meer gejaagd mag worden, maar waar reeds de helft van de reeënpopulatie door stropershand aan z'n end gekomen is.

Het jagen en vissen is voor de liefhebber van een diep gewortelde levensbehoefte geworden tot een even zo diep gewortelde, recreatieve behoefte.

Jac. P. Thijsse, een van de grote promotors van de natuurbescherming schreef over de jacht: “Het is natuurlijk zeer moeilijk een ontspanning te bedenken die èn zoveel vaardigheid èn energie vereischt als het jagen”.

    • Ch. G.N. van Bussel Doorwerth