Fractieleiders tonen op Aruba hoe het niet moet

De Arubaanse premier Eman verdedigt zich tegen de kritiek die door de fractievoorzitters uit de Tweede Kamer is geleverd op de Arubaanse democratie en de rechtshandhaving (NRC Handelsblad, 19 november). Eman maakt gewag van de sterke economische vooruitgang die de laatste jaren is geboekt en van de pogingen om democratie en rechtshandhaving te verbeteren. De Arubaanse regeringsleider beklaagt zich over de ''vermanende Nederlandse vinger''.

“Ons land [aldus Eman] zou niet deugen, zou zich niet houden aan normen en regels die essentieel zijn in een democratische rechtsstaat, zou een grote schoonmaak moeten ondergaan en hangt, als de rechtsstatelijke verhoudingen zo scheef blijven, een bijzonder hoog gezag boven het hoofd.”

De premier benadrukt dat er hard aan deze zaken wordt gewerkt en dat er wat meer Nederlands respect opgebracht zou kunnen worden, vooral omdat de naar voren gebrachte negatieve percepties het eiland in verschillend opzicht schade berokkenen.

Op hoofdlijn is het betoog van Eman in overeenstemming met de Arubaanse werkelijkheid. Sinds het proces van status aparte in 1986 op gang werd gebracht, is systematisch gewerkt aan het scheppen van rechtsstatelijke en democratisch-bestuurlijke verhoudingen. Wie de overzichten tot zich neemt van alle landsverordeningen die op dat punt zijn gerealiseerd, moet erkennen dat er veel werk is verzet.

Een en ander laat onverlet dat de rechtsstatelijke problematiek nog tal van haken en ogen kent. Daarbij springt een tweetal problemen het meest in het oog. In de eerste plaats het nog gebrekkig functioneren van de parlementaire democratie en ten tweede de vrijwel afwezige en sterk verstoorde verhouding tussen de minister van Justitie en de politie enerzijds en het openbaar ministerie anderzijds. Het waren vooral deze zaken waar de fractieleiders mee werden geconfronteerd en die hen uiteindelijk aanzetten tot een negatief beeld en betrekkelijk grote woorden.

Er is evenwel alle reden deze beide zaken in het juiste perspectief te zien. Op de Nederlandse Antillen troffen de fractieleiders een parlement aan waarin betrekkelijk adequaat wordt gefunctioneerd op basis van een parlementaire traditie die reeds een aantal decennia zich heeft ontwikkeld.

Die parlementaire traditie bestaat op Aruba nog nauwelijks. Nog maar tien jaar geleden kreeg Aruba een eigen parlement ter vervanging van de vroegere eilandsraad. In die tien jaar tijd, met enkele kabinetten van geheel wisselende samenstelling, is een parlementaire democratie opgebouwd die op papier gelijkt op de Nederlandse, maar in de praktijk moeilijk functioneert vanwege de afwezigheid van een ontwikkelde parlementaire cultuur.

Waar landen als Nederland er 150 jaar over hebben gedaan om hun parlementaire instellingen stapje voor stapje te verbeteren, moet ook een jonge parlementaire democratie als de Arubaanse enige tijd worden gegund om de eigen lijnen te trekken en met vallen en opstaan te komen tot goed functionerende parlementaire verhoudingen.

Er is op zichzelf genomen enige reden om zich zorgen te maken over de oppositionele mogelijkheden in de Arubaanse staten, maar het heeft geen enkele zin vanuit Nederland hier forcerende operaties uit te voeren. De Arubaanse politici zijn mans genoeg hier zelf voor te zorgen en de ervaring leert dat ook de kiezers hier als correcte graadmeter fungeren. Wie op dit punt vanuit Nederland aan de blaadjes wil gaan trekken, houdt uiteindelijk een dood plantje in zijn hand.

Niet veel anders ligt het op het punt van de rechtshandhaving. In het betrekkelijk evenwichige rapport van de commissie-De Ruiter wordt een aantal zinnige voorstellen gedaan en enkele minder voor de hand liggende voorstellen.

Het rapport is echter in een verkeerde sleutel komen te staan toen het pakket als een onlosmakelijk geheel werd gepresenteerd. Vanaf dat moment is de dialoog over mogelijke oplossingen sterk bemoeilijkt en vlogen de verwijten over en weer de Atlantische Oceaan over.

Zowel op Aruba als in Nederland is er grote overeenstemming over het uitgangspunt dat de niet-functionerende verhouding tussen minister, politie en openbaar ministerie ten spoedigste moet worden verbeterd. Het probleem speelt al geruime tijd, vooral persoonlijke tegenstellingen hebben tot een geëscaleerde verhouding geleid en met name Nederland heeft in Koninkrijksverband - ondanks tal van signalen - de zaak veel te lang op zijn beloop gelaten. Door persoonlijke ingrepen kan het gros van de problemen worden opgelost.

Op de Nederlandse Antillen functioneert de genoemde verhouding betrekkelijk adequaat, er is geen enkele reden om te veronderstellen dat dit met een nieuwe procureur-generaal op Aruba wezenlijk anders zou liggen. Weliswar is er een aantal verschillen in politieke cultuur, deze verschillen zijn echter niet zodanig dat Aruba een Sonderbehandlung zou moeten krijgen.

Tenslotte moet worden opgemerkt dat de kritiek van de fractievoorzitters, met name die van Bolkestein en Wallage, een uiterst onbevredigend en selectief element in zich draagt. Nooit eerder waren fractievoorzitters uit de Tweede Kamer in Oranjestad en Willemstad.

Van tevoren was reeds met grote woorden een oordeel geveld over de koninkrijkspartners. Na zich nog geen 48 uur op Aruba te hebben bewogen en slechts met enkele gremia te hebben gesproken die zich diep hebben ingegraven in het lopende conflict, werden aan die eerste oordelen nieuwe en zware oordelen toegevoegd.

Waar minister Sorgdrager (Justitie) zich enkele dagen eerder in een luisterende en oriënterende rol had gemanifesteerd - ook zij was voor het eerst op Aruba -, maten de fractievoorzitters zich een houding aan die weliswaar als typisch Nederlands, maar als zeer onbevredigend moet worden aangemerkt. Is het werkelijk mogelijk om binnen anderhalve dag de gecompliceerde Arubaanse situatie te analyseren en daaraan een zodanig negatieve conclusie te verbinden? De vraag stellen, is haar beantwoorden.

Wil het in de komende jaren nog wat worden met het Koninkrijk der Nederlanden, dan zullen de omgangsvormen in ieder geval moeten worden verbeterd en zal de verwerving van kennis van zaken grondiger en evenwichtiger moeten geschieden. De houding van Bolkestein en Wallage ten opzichte van Aruba laat in ieder geval zien hoe het niet moet.

Bolkesteinse flinkheid op basis van oppervlakkige indrukken werkt in de koninkrijksverhoudingen volkomen averechts; Nederland heeft de afgelopen decennia met een dergelijke houding al te vaak bakzeil moeten halen. Aruba verdient een betere benadering, hoezeer het ook noodzakelijk is op korte termijn een aantal ernstige problemen in Koninkrijksverband op te lossen.

    • D.J. Elzinga