Fiscale voordelen na de dood

Steeds meer belastingplichtigen zijn zelfs tot na hun dood tuk op fiscale voordeeltjes. Daarom is het vreemd dat velen bij het opmaken van hun testament geen oog hebben voor de mogelijkheden om de fiscus minder royaal te bedelen. Veel erfgenamen krijgen meer belasting voor hun kiezen dan nodig is.

Dat blijkt uit een deze week gepubliceerd onderzoek van het bureau Interview in opdracht van het belastingadvieskantoor Coopers & Lybrand.

Uit het onderzoek blijkt dat ruim een derde van de kostwinners een testament heeft laten opmaken. Veertig procent van de kostwinners weet dat door het kiezen van het juiste testament belasting kan worden bespaard. De vraag of men bij het opmaken van een testament gebruik maakt van een fiscaal aantrekkelijke constructie wordt door de meeste ondervraagden ontkennend beantwoord.

Dat over het ontvangen erfdeel belasting moet worden betaald, is vrij algemeen bekend. Successierecht is een belasting die wordt geheven over de waarde van alles dat wordt verkregen door het overlijden van iemand die in Nederland woonde. Naaste familieleden, echtgenoten en kinderen worden minder zwaar belast, maar voor anderen kan de heffing oplopen tot 68 procent.

Ook is onderzocht of kostwinners schenkingen van hun (schoon)ouders hebben ontvangen. Bijna dertig procent heeft een of meerdere keren een schenking gekregen. Bijna tachtig procent beseft dat over een schenking belasting geheven kan worden. Ruim vijftig procent wist dat door het kiezen van een constructie belasting kan worden bespaard.

Schenkingen kunnen de 'pijn' van de zware belasting op een erfenis verzachten. Een kind dat 300.000 gulden erft, betaalt 36.000 gulden aan successierechten. Als was gekozen voor een schenking van 100.000 gulden tijdens het leven en een erfenis van 200.000 gulden zou de fiscus slechts 28.000 gulden opstrijken.

De populairste opzet is om de kinderen jaarlijks het bedrag te schenken dat buiten het bereik van het schenkingsrecht blijft (voor 1996 een bedrag van 7823 gulden) en dat bedrag onmiddellijk van het kind te lenen tegen betaling van (aftrekbare) rente: een zogeheten papieren schenking. De ouders houden de beschikking over het geld en trekken de rente af van de inkomstenbelasting, terwijl de kinderen er (door onder meer de rentevrijstelling) geen belasting over betalen of in een lagere tariefgroep vallen dan hun ouders.

Wanneer de ouders daarnaast gebruik maken van de mogelijkheid van een eenmalig belastingvrije schenking (39.199 gulden voor kinderen tussen de 18 en 35 jaar) dan kan de schuld aan de kinderen tot ver boven de 100.000 gulden oplopen. Ouders en kinderen kunnen afspreken dat aflossing pas aan de orde komt als de ouders overlijden. Om gebruik te kunnen maken van de fiscale aftrek moet de rente werkelijk worden betaald en de voorwaarden moeten schriftelijk worden vastgelegd.

Wie zo'n constructie goed opzet, bespaart niet alleen inkomstenbelasting, maar ook vermogensbelastingen en successierechten. Het teruggeleende bedrag valt in de categorie 'bloot eigendom' van de kinderen; de ouders hebben alleen het vruchtgebruik.

Gaat het om 100.000 gulden die belastingvrij wordt belegd en waarvoor aan de kinderen zes procent rente wordt betaald, dan besparen de ouders jaarlijks 3600 gulden inkomstenbelasting, 800 gulden vermogensbelasting en eenmalig tot 27.000 gulden aan successierechten. Dat wordt volgend jaar gecompliceerder door het vervallen van de rente-aftrek op sommige soorten geldleningen. Mochten de kinderen in de 50-procentsschijf van de inkomstenbelasting vallen, dan kost deze constructie hen na toepassing van de rentevrijstelling 2000 gulden aan extra inkomstenbelasting.

Het is wat ongewoon, maar ook de wetgever bedenkt belastingbesparende constructies voor de erfgenamen. Dat gebeurt door het op 1 januari 1997 opnieuw introduceren van een betaalmogelijkheid die velen met de middeleeuwen associeren: het betalen van belasting in natura. Ooit trokken de uitgeperste belastingbetalers met eieren en geiten naar het ontvangstkantoor om aan hun fiscale verplichtingen te voldoen. Op papier bestond die mogelijkheid nog tot 1907.

De herintroductie negentig jaar later beperkt zich tot gevallen waarin de erfgenamen over een kunsstuk beschikken waar de overheid belangstelling voor heeft. De kunstwereld ziet met lede ogen toe hoe zulke kunstwerken nu soms via een veiling naar het buitenland gaan om de erfgenamen in staat te stellen successierechten te betalen.

De Belastingdienst gaat zo'n kunstwerk overnemen voor 120 procent van de marktwaarde. Dat gebeurt uitsluitend voor de betaling van successierecht en alleen voor schilderijen, beelden en dergelijke. Historische gebouwen vallen (anders dan het CDA wenste) niet onder de gunstige regeling.

Een monument vertrekt niet naar het buitenland en de opportunistische regeling heeft niets te maken met een eerlijke verdeling van de belastingdruk maar alles met het behouden van kunstbezit.

    • Cees Banning
    • Aertjan Grotenhuis