Dubbeltentoonstelling in Chabot Museum; Lamers' foto's laten koud

Exposities: Ine Lamers, Faces and names; Rotterdam Museumpark villa's. Chabot Museum, Museumpark 11, Rotterdam. T/m 19 jan. Di t/m vr 11-16.30u, za 11-17u, zo 12-17u. Brochure

Op de fotowerken van Ine Lamers (1954) is de laatste jaren geen mens meer te zien, maar wel sporen die duiden op menselijke aanwezigheid. Bedden in een verlaten hotelkamer, een glas op een wastafel of plastic tuinstoelen op een nachtelijk balkon suggeren menselijke activiteiten. Door een subtiel gebruik van licht en kleur, hangt op de foto's van Lamers om deze alledaagse voorwerpen een waas van geheimzinnigheid. Als kijker ga je bijna automatisch op zoek naar de verdwenen werkelijkheid achter het zichtbare. Wat heeft er zich afgespeeld in deze burgerlijke, beige hotelkamer en waarover ging het gesprek tussen de flatbewoners in die nieuwbouwwijk?

In het nieuwste werk van Lamers, dat naar aanleiding van de uitreiking van de Anjerfonds-Chabot Prijs 1995 in het Chabotmuseum in Rotterdam is tentoongesteld, duikt de menselijke figuur zelf weer op. Op levensgroot formaat staat op vier kleurenfoto's telkens één man of vrouw met de rug naar de toeschouwer gekeerd. In het schaarse licht is het grootste deel van huid en kleding goed zichtbaar, de rest lost op in de omringende duisternis. De formule is hetzelfde zou je kunnen zeggen, alleen hebben de figuren de rol van de stoeltjes overgenomen.

De rugfiguur is een beproefd middel uit de Duitse romantiek. Staande voor de kleine schilderijen van Caspar David Friedrich van een eenzame bergwandelaar hoog boven een wolkendek of een monnik aan het strand, identificeer je je als toeschouwer onmiddellijk met de afgebeelde figuur. Je voelt je als het ware opgenomen in de onmetelijke natuur. Bij de figuren van Lamers komt deze identificatie niet tot stand. Ze zijn té dichtbij en in hun afgeknipte spijkerbroek of zomerse mini-jurk té alledaags-herkenbaar. Hun houding is geposeerd en de compositie van de foto statisch. Deze stijve figuren roepen niets op, ze laten je koud - net als de wachtende die toevallig vóór je in de rij staat.

Op de tweede verdieping van het Chabotmuseum is, vooruitlopend op de verschijning van een themanummer van het tijdschrift Wiederhall, een kleine presentatie ingericht over de witte villa's aan het Rotterdamse Museumpark. In het begin van de jaren dertig werden de eerste twee villa's in het voormalige Land van Hoboken gebouwd door J. Brinkman & L.C. Van der Vlugt, de architecten van de Van Nellefabriek (1926-1930). In 1937 kreeg Gerrit Willem Baas die tien jaar op het bureau van Brinkman & Van der Vlugt werkte, de opdracht om de villa te ontwerpen waarin sinds 1993 het Chabotmuseum is gevestigd. Baas, die in die tijd in Otterlo hoofdopzichter was bij de bouw van het Kröller-Müllermuseum van architect Henry van de Velde, liet de dagelijkse gang van zaken over aan L. Stokla. Uit de correspondentie tussen beide architecten die op de tentoonstelling ter inzage ligt, is nu duidelijk dat niet Stokla, zoals men bij de opening van het Chabotmuseum vermeldde, maar Baas de villa heeft ontworpen.

    • Din Pieters