Blinde wereldkracht; Sociologie van de voortgaande mondialisering

Lange tijd stelde de sociale wetenschap de 'maatschappij' stilzwijgend gelijk aan de nationale staat. Maar nu is het 'transnationale sociale leven' ontdekt.

WERKLOOSHEID, sociale marginalisering, verloedering van steden, nieuwe etnische conflicten, vertrek van industrieën uit het Westen, industrialisatie in de Derde Wereld, blijvende crisis van de verzorgingstaat, een steeds massaler hoger onderwijs, flexibilisatie van de arbeidsmarkt, herontdekking van het begrip burgerschap, netwerken in plaats van bevelstructuren, Europese eenwording - er is genoeg aan de hand in de moderne samenleving. Al deze aspecten van de hedendaagse condition humaine vormen een onderdeel van het nog veel grotere proces van de 'globalisering'. Zo luidde het uitgangspunt van het driedaagse multidisiciplinaire congres Globalization and the new inequality, dat deze week door de Universiteit Utrecht werd gehouden.

Globalisering - mondialisering, internationalisering of een ander 'wereldbabbel-woord' - kent vele invalshoeken. Giovanni Arrighi van de New York State University betoogde bijvoorbeeld in Utrecht dat het globaliseringsproces al begon met de Europese ontdekkingsreizen. Volgens deze 'wereldsysteem-socioloog' zijn er in deze eeuwenoude expansie recentelijk maar twee èchte structurele veranderingen voorgevallen: de verdwijning van oorlog als strijdmiddel van kapitalistische machten en de verschuiving van het centrum van kapitaalaccumulatie van het Westen naar Oost-Azië. Anderen spraken over het heilige-bos-ritueel van de Jola-stam in Zuid-Senegal, de illegale stedelijke economie in de VS, de verspreiding van het gokken over de wereld, de crisis in het Duitse en Oostenrijkse corporatisme, of over het grote succes van de etnische restaurants - Alan Warde van de universiteit van Lancaster ziet dat culinaire succes onder meer als 'de uitdrukking van hybriditeit, authenticiteit en kosmopolitisme'. In een gesprek voorafgaand aan het congres bracht mede-organisator Nico Wilterdink, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en in deeltijd 'Norbert Elias-hoogleraar' aan de Universiteit Utrecht, alvast enige ordening aan.

Welk inzicht in globalisme heeft de sociale wetenschap de burger eigenlijk te bieden, buiten wat hij er zelf van merkt? Je leest voortdurend over de dreigende economische concurrentie door Oost-Azië. Op vakanties in het buitenland valt duidelijk de groeiende uniformiteit van cultuur en economie op.

Wilterdink: “Allereerst zijn dit soort 'vanzelfsprekende inzichten' meestal eerder door de sociale wetenschap opgemerkt en vervolgens verspreid via de pers en de politiek. En ten tweede is het ook allemaal niet zo vanzelfsprekend. De wereld wordt kleiner, akkoord. Maar in welke mate gaat alles op elkaar lijken? Dat is een open vraag. En het is ook zeker niet vanzelfsprekend dat er hier een fabriek dicht moet wanneer er in Korea een geopend wordt. Die samenhang is helemaal niet zo helder als soms lijkt.

“Mijn eigen onderzoek concentreert zich op de effecten van de mondialisering op de sociale en economische ongelijkheid in de westerse samenleving. Sinds de jaren zeventig is hier de werkloosheid toegenomen. Met fluctuaties, maar ze is duidelijk chronisch groot geworden. Overheden staan voortdurend onder druk om te bezuinigen op sociale zekerheid, gezondheidszorg en onderwijs. Mede daardoor duikt de laatste tijd ook het armoedeprobleem weer op. Dat is niet zo gek. Want vanaf 1980 is de ongelijkheid groter geworden. In de periode 1983-1993 ging in Nederland het reële inkomen van de armste tien procent huishoudens er met zo'n 30 procent op achteruit, voor de categorie daarboven was dat een daling van ongeveer 15 procent. Maar de hoogste tien procent ging er met ruim 8 procent op vooruit, en de categorie daaronder met ruim tien procent. Terwijl in de decennia voor 1980 de verschillen alleen maar kleiner waren geworden. In andere landen zie je hetzelfde. Dat alles betekent een grondige omslag in een langdurig proces vanaf het begin van deze eeuw waarin de sociale en economische gelijkheid juist gestaag groeide.”

En die omslag komt door de globalisering?

“Ja, dat denk ik wel, al is dat omstreden. Er zijn twee versies van deze globaliseringsthese. Vaak wordt de verandering economisch verklaard. Het kapitaal zoekt nu eenmaal het laagste punt. Ondernemingen investeren daar waar de lonen het laagst zijn. Dus er komen fabrieken in Pakistan en Korea, waardoor alleen de hooggeschoolde arbeid hier achterblijft. Voor de laaggeschoolden is er dan weinig emplooi meer, waardoor de binnenlandse inkomensverschillen toenemen. Dat is ook het argument waarom voortdurend wordt geprobeerd werklozen scholing aan te bieden. Maar deze economische theorie klopt niet. Want juist binnen groepen met dezelfde opleiding zijn de inkomensverschillen toegenomen. Tussen een academicus en een LTS'er zijn de inkomensverschillen in Nederland juist niet groter geworden.

“Ik zie meer in een sociologisch machtsmodel, waarbij de toename van de beloningsverschillen een uitdrukking is van nieuwe machtsverhoudingen. Naarmate het bedrijfsleven mobieler wordt - vooral dankzij moderne informatie- en transporttechnieken - wordt zijn macht ten opzichte van werknemers, vakbonden en nationale overheden groter. Staten moeten steeds meer hun best doen om de internationale bedrijven ter wille te zijn, ten behoeve van de werkgelegenheid: gunstige vestigingsvoorwaarden, lage belastingen. Kapitaalbezitters en managers profiteren daarvan, fabrieksarbeiders niet. Die macht van de bedrijven blijkt ook uit de toenemende werkdruk, terwijl er juist zoveel werklozen zijn. Werknemers kunnen de druk steeds harder te gaan werken nauwelijks meer weerstaan, omdat de uitkeringen laag zijn en de baanzekerheid klein is.”

Welke aanwijzigingen heeft u voor dat verband tussen toename van ongelijkheid en groeiende bedrijfsmobiliteit?

“Het is natuurlijk moeilijk te toetsen, maar ik heb op grond van internationale economische statistieken geconstateerd dat de buitenlandse directe investeringen over de hele wereld genomen vanaf de jaren zeventig, sterk toenemen. Afgezet tegen de wereldproductie namen ze in de periode 1960-1975 gemiddeld met 3 procent per jaar toe. In de periode 1975-1990 is dat verdubbeld. Hierdoor wordt een steeds groter deel van de economische macht beheerst door transnationale ondernemingen, die nu direct verantwoordelijk zijn voor ongeveer een vijfde van de niet-agrarische werkgelegenheid in de welvarende landen. Deze ontwikkeling valt ruwweg samen met de toename van ongelijkheid vanaf 1980. In zo'n effect zit altijd een paar jaar vertraging.”

Als ze daardoor op zo'n cruciaal punt zoveel macht verliezen, waarom stimuleren zoveel natiestaten dan die globaliseringstrend, met bijvoorbeeld de steeds verdere liberalisatie van de handel?

“Ten eerste staan ze natuurlijk onder enorme druk van het bedrijfsleven. En ten tweede gaan de regeringen mee met de gedachte dat de liberalisering goed is voor iedereen. En inderdaad, in Nederland is het gemiddeld reële besteedbare huishoudinkomen in de periode '83-'93 gestegen met 3,6 procent - hoewel veertig procent van de huishoudens er op achteruit is gegaan. Verder heeft men toch nog altijd het negatieve beeld voor ogen van de diepe economische crisis in de jaren dertig, die verergerd werd doordat alle landen hoge tariefmuren opwierpen. Veel landen hebben ook geen keus. Nederland bijvoorbeeld is zo afhankelijk van buitenlandse handel dat de economie ernstige schade zou oplopen als die beperkt zou worden.”

Als over een paar jaar de huidige globaliseringstrend nog altijd verdergaat, terwijl de inkomensverschillen zijn verkleind, is dus uw theorie weerlegd?

“Ja. Het is dus altijd goed: of mijn theorie houdt stand, of er komt weer meer gelijkheid, waar ik persoonlijk een voorstander van ben. Maar ik verwacht die verkleining van de verschillen niet. Volgens mij is er sprake van een echte omslag.”

U noemt in een artikel de invloed van de massale oorlog, waardoor de saamhorigheid binnen een natie belangrijker wordt en sociaal beleid ontstaat. Zou je niet kunnen zeggen dat nu, na de periode van twee wereldoorlogen en de Koude Oorlog, die groeiende ongelijkheid een prijs is die we voor de vrede betalen?

“Deels is dat zo. Een oorlog of een oorlogsdreiging werkt egaliserend. Maar het probleem laat zich niet reduceren tot een verband tussen oorlog en gelijkheid. In de jaren zestig en zeventig was de oorlogsdreiging van de Koude Oorlog een stuk minder geworden, maar de sociaal-economische verschillen werden juist toen een flink stuk kleiner.”

De globalisering past prachtig in het proces dat volgens Norbert Elias al vanaf de vroegste tijden de essentie van de geschiedenis uitmaakt: de gestage groei van onderlinge afhankelijkheid tussen mensen over steeds grotere afstanden. Maar de afhankelijkheid van de een is de macht van de ander. Hebben we niet een uitzonderlijke periode achter de rug, in de zin dat groeiende ongelijkheid en machtsconcentratie eigenlijk de historische regel is?

“Nee, want de groei van onderlinge afhankelijkheid kan ook leiden tot grotere gelijkheid, omdat bijvoorbeeld de machthebbers afhankelijker worden van hun ondergeschikten. Elias beschrijft dat proces voor de periode na de middeleeuwen. Het kan dus altijd twee kanten op gaan, en welke is vooraf niet te zeggen.”

Dreigt nu de democratische natiestaat te bezwijken onder de macht van wereldwijde economische netwerken, net als de stadstaten een paar honderd jaar het loodje legden voor de groeiende macht van de natiestaat?

“Ik heb een hekel aan determinisme, maar dat de globalisering zal doorgaan staat voor mij vast. Maar wat de mogelijkheden voor de democratie en de natiestaten zullen zijn is moeilijk te zeggen. Het lijkt logisch dat coördinatie op een hoger integratieniveau dan de nationale staat een oplossing is, al was het maar om te voorkomen dat staten elkaar voortdurend opjagen belastingen te verlagen ten behoeve van de investeringen. Het proces van Europese eenwording gaat ook wel door, maar een machtig federaal Europa lijkt me op de korte termijn een utopie. De Monetaire Unie zal slechts leiden tot verdere afbraak van de nationale macht. Wat komt er voor in de plaats? Niet veel, vrees ik. Ik ben geen marxist, maar in die zin kun je met de oude Karl Marx spreken van de 'blinde krachten van het kapitalisme'.

“Maar we moeten niet overdrijven. Zo zwak zijn de natiestaten nu ook weer niet. Er wordt nog ontzettend veel op nationaal niveau geregeld. Als je kijkt naar de overheidsbudgetten, dan is daar nog altijd een enorme economische macht samengebald. De Nederlandse begroting is groter dan de omzet van de meeste multinationals. En functieverlies van natiestaten hoeft niet per se slecht te zijn. Tenslotte zijn er in naam van de natie vele bloedige oorlogen gevoerd.”

    • Hendrik Spiering