Zegt Mozes tegen God: 'Anders ik wel'

Nico ter Linden: Het verhaal gaat... Balans, 312 blz. ƒ 39,50

De meeste Nederlandse huishoudens bezitten wel een bijbel. Maar wat ermee te beginnen? De taal is, afhankelijk van de vertaling die men heeft gekozen, licht tot zeer archaïsch, het is vaak onduidelijk wat er nu eigenlijk staat en als dat niet onduidelijk is dan is het vaak toch onduidelijk wat ermee bedoeld wordt. Veel verhalen lijken God in een onaangenaam licht te stellen, vooral in het Oude Testament, waar we dikwijls een jaloerse, bloeddorstige, wraakzuchtige God zien, die niet terugschrikt voor de wreedste bedenksels - denk aan zijn opdracht aan Abraham om Isaak te offeren, denk aan de manier waarop hij Job treitert, of aan zijn bloedige opdracht aan zijn getrouwen na de aanbidding van het gouden kalf: 'Ieder gorde zijn zwaard aan zijn heup en ga heen en weer door de legerplaats van poort tot poort en dode, ieder zijn broeder en ieder zijn verwant en ieder zijn naaste.' Wat is dat voor God? Wat zijn dat voor verhalen?

Deze en dergelijke vragen moet Nico ter Linden, jarenlang predikant van de Westerkerk in Amsterdam, dikwijls gehoord hebben. In zijn preken legde hij zich erop toe de bijbelse verhalen toegankelijker en inzichtelijker te maken, door zulke vragen te stellen en te proberen die te beantwoorden. Die jarenlange praktijk heeft uiteindelijk geleid tot een project: het navertellen en becommentariëren van de hele bijbel. Het verhaal gaat... heet de reeks en deel 1 behandelt de thora ofwel de pentateuch, de eerste vijf boeken van het oude testament, ook wel de boeken van Mozes genoemd: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium.

Ter Lindens bedoeling was om de bijbel weer leesbaar te maken, want dat is hij niet zonder meer, vindt hij. Zonder uitleg is van menig verhaal niet veel te maken en blijft een lezer gemakkelijk steken in tegenstrijdigheden en onbegrepen symbolen. Bij leesbaar maken hoorde in de opvatting van Ter Linden bovendien een veel hedendaagser taalgebruik. Hij schijnt zijn boek zelf als 'een kinderbijbel voor volwassenen' te hebben omschreven. Dat is niet zo'n gekke karakteristiek, want de lezer wordt in deze hervertelling toegesproken als een kind op de zondagschool.

De hele tijd is het of we Ter Linden met zijn aanwijsstok naast de diavertoning uit het oude testament zien staan en zijn vertellersstem horen zeggen: 'Hoor', 'Stil, de priester vertelt', 'Zie', 'Luister', om ons vervolgens in vlotte taal uit te leggen wat we zien en horen. Dat gebeurt door middel van grapjes: Noach is dronken en dan staat er 'Wat dan te doen met the drunken sailor. Hagar zwerft met Ismaël door de woestijn en we lezen 'Brandend zand en nergens water'. God bezoekt Abraham en Ter Linden zegt olijk: 'Jehova zelve aan de deur'. Zijn broers willen Jozef aan karavaandrijvers verkopen en de verteller verduidelijkt: 'Jozef ligt in de opruiming. Moet weg!' Woordspel en citaten zijn niet van de lucht. Jakob in de nacht van zijn worsteling voor hij de rivier de Jabbok overtrekt: 'Moet hij dan nog tol betalen voor hij van de schipper mag overvaren?' De taal kan niet alledaags genoeg: Abraham 'laat God vallen', Isaak wil dat de herders bij de put 'opzooien', Mozes zegt als hij God naar zijn naam vraagt 'Wie kan ik zeggen dat er is?', en als de vrouw van Potifar Jozef wil verleiden, lezen we: 'Seksuele intimidatie op de Egyptische werkvloer'. De toon waarop Mozes tegen God praat heet vertrouwelijk te zijn, maar is tenenkrullend: 'Mozes ik ben bitter teleurgesteld in jouw volk', zegt God. 'Anders ik wel', zegt Mozes. 'Het is mijn toorn die mij zo doet spreken, Mozes.' 'Ja, dat zal wel', zegt Mozes.

Zo gaat het maar door, er wordt geknipoogd en gegrapt en gealludeerd dat het een aard heeft, alles wordt veralledaagst en versimpeld tot je er scheel van ziet. 'Goed van God.' 'Geestig van God.' Tegen wie heeft Ter Linden het in 's hemelsnaam? Niet tegen een lezer wiens verstandelijke vermogens door hem erg hoog aangeslagen worden. Dat is jammer. Want het is duidelijk dat Ter Linden belezen is, betrokken bij zijn onderwerpen, en dat hij zich ook werkelijk heeft afgevraagd wat mensen nu met deze verhalen moeten beginnen. Maar in deze tot op het platte af versimpelde vorm zijn de verhalen bijna alles kwijt wat ze diepte en inhoud gaf.

Niet alles, gelukkig. Het is niet zo dat Ter Linden de bijbel alleen maar heeft versimpeld en opgeleukt. Hij heeft met deze hervertelling meer gewild dan dat. De titel van dit boek Het verhaal gaat... zegt al iets over hoe Ter Linden de bijbel beschouwt: als een verzameling verhalen. De woorden in de bijbel zijn weliswaar 'in Israëls vrome fantasie op verzoek van God zelf opgeschreven', maar het is duidelijk dat Ter Linden daar anders over denkt. Steeds weer benadrukt hij dat het gaat om de vertelsels van een zwervend volk dat slavernij had gekend, dat een hard bestaan leidde en dat, als alle mensen altijd en overal, behoefte had aan verklaringen voor onbegrijpelijke dingen.

Hoe moeten we de bijbelverhalen volgens Ter Linden dan wèl zien? Het gaat om theologie, benadrukt hij verschillende keren, dat wil zeggen om geloofsgeschiedenis. Het zijn verhalen die vertellen hoe de mensen zich God voorstelden. Meteen in het eerste hoofdstuk bekent hij dat hij op de vraag of het allemaal fantasie is, zou antwoorden: 'Natuurlijk is het fantasie (-) Niemand heeft ooit God gezien, noch met hem gesproken. Er hangt een wolkendek tussen waar wij wonen en waar God woont (-)'. God woont, in de woorden van Ter Linden 'boven het dak van ons denken' - God is te groot om door ons bevat te kunnen worden. Dus moet er, tenminste door wie ervanuit gaat dat er een God is, wel over hem gefantaseerd worden. Ter Linden zegt het de theoloog H.M. Kuitert na: alle woorden over boven zijn van beneden.

De navertelling en becommentariëring van de oudtestamentische verhalen laten iets zien van hoe Ter Linden zich voorstelt dat God is. Dát God is, is voor hem een troostrijke gedachte waarzonder het moeilijk leven zou zijn. Verschillende keren schrijft hij met huiver over de mogelijkheid dat er geen God is, over hoe 'verweesd en verloren' de mens dan zou zijn. Het komt er, krijg je de indruk, op neer, dat God er wel móet zijn omdat de wereld anders voor de mensen te leeg en het leven te moeilijk en te zwaar zou zijn. God maakt het leven draaglijker. Dat doet God door acht te slaan op de zwakken: 'Want zo is God. Ziet hij niet om naar de vernederden en de verdrukten?' Talrijke keren wordt het in dit boek herhaald: God laat de zwakken en de verdrukten niet in de steek. God kijkt naar de jongste zonen, de zonen die niet al alle rechten hebben, naar Jakob, naar David, naar de verloren zoon, God kijkt naar degenen die in moeilijkheden zijn, naar Hagar als zij de woestijn in is gestuurd, naar Lea die niet bemind wordt.

In ruil daarvoor vraagt de God van Ter Linden een grote geloofskracht. Wie blijft geloven zal overwinnen, zoals Mozes overwon in de strijd tegen Amalek, voor wie gelooft zal er water uit de rots stromen. Het belangrijkste is om te blijven vertrouwen. Natuurlijk is dat niet altijd makkelijk, soms is het zelfs bijna ondoenlijk. 'Waarom maakt God het zo moeilijk om langs het hele traject in hem te geloven?' Toch moet het, benadrukt Ter Linden, het is het enige wat erop zit.

Aan zulke passages is duidelijk te zien dat Ter Linden een dominee is, iemand die preekt, iemand die zijn gemeente iets wil zeggen en wil meegeven, iemand die gelooft in het geloof. Hij is vrijzinnig, hij schrikt niet terug voor het stellen van vervelende vragen, hij ziet inconsequenties in de verhalen, lafheden of gemeenheden van de personages, maar hij komt wel steeds uit bij het godsvertrouwen. Zo interpreteert hij bij voorbeeld ook het verhaal van Abraham en Isaak, waarin God aan Abraham vraagt om zijn zoon Isaak, het enige kind van Abraham en Sarah, te offeren. Abraham gehoorzaamt. Pas op het allerlaatste moment, als Isaak al op het altaar ligt, wordt hij door God weerhouden. Dat, zegt Ter Linden, is niet het verhaal van een God die absolute slaafse gehoorzaamheid eist. 'Het gaat om de vraag of Abrahams geloof het houdt.' Die interpretatie past geheel in hoe Ter Linden de menselijke houding tegenover God graag ziet, maar ze blijft een tikje onbevredigend. Want waarom moet God aan Abraham vragen om tegen alles wat hem lief is, in hem te blijven geloven? Waarom moet iemands geloof intact blijven als hij zijn kind moet offeren aan zijn God? Dat klinkt nu juist als een van die gevaarlijke waanbeelden waar fundamentalisten het patent op hebben en waar Ter Linden weinig mee op heeft.

Het komt wel eens vaker voor dat Ter Linden een bevredigend antwoord uit de weg gaat, of niet meer doet dan een vraag stellen of zijn verwondering uitspreken. Hij doet weliswaar zijn best om duidelijk te maken wat met de beelden en verhalen bedoeld kan zijn, en hij probeert dat zo te doen dat zijn lezers ook in hun eigen leven iets aan die uitleg zullen hebben, maar al te ingewikkeld mag het allemaal niet worden. Dat simplisme gaat ten koste van de subtiliteit en dus van de overtuigingskracht.

De grote vergissing van Het verhaal gaat... is toch dat de auteur zijn lezer geen seconde voor vol aan ziet. Hoewel, er zijn er al zestigduizend exemplaren van verkocht, dus misschien is dat precies wat lezers willen. Maar wat Ter Linden wil doorgeven - 'Woorden en waarden ten leven, die de ziel verkwikken van allen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid' - zulke woorden en waarden smeken om een onvergetelijk mooie vorm.

    • Marjoleine de Vos