Wij shockeren niet, wij kietelen; Gesprek met Simon Patterson

Simon Patterson maakte een nieuwe versie van de Londense metro-kaart. Hij verving de namen van de stations door die van heiligen, voetballers en filmsterren. “Karl Marx moest wel stuiten op Zeppo, één van de Marx Brothers.” Patterson is een van de genomineerden voor de prestigieuze Turner Prize.

Turner Prize Tentoonstelling. Tate Gallery, Milbank, Londen. T/m 11 jan.1997. Ma t/m za 10-17.50u, zo 14-17.50u. De winnaar wordt bekend gemaakt op donderdag 28 november.

Een man, eigenlijk nog een jongen, staart van zijn horloge naar de krioelende mensenmassa die zich deze zondagmiddag op de stoep voor de Londense Tate Gallery heeft verzameld. Hij is te vroeg voor zijn afspraak. Hij kent de openingstijden van het museum niet.

Met zijn gympies, zijn spijkerbroek en steenrode t-shirt, zijn olieblauwe corduroy-jasje onderscheidt hij zich in niets van al die andere jongens die zondagmiddag op de trappen van de Tate staan om toeristen aan te klampen. Alleen zijn hulpeloze blik verraadt dat hij niet de zoveelste kunststudent is die met een rondleiding een paar ponden wil verdienen. Het is dat hij zijn gast de lange rij wil besparen, maar hij geneert zich zichtbaar als hij de portier bij de zij-deur wenkt hem door te laten, stamelend dat hij Simon Patterson is, een van de genomineerden voor de Turner Prize, de belangrijkste Engelse prijs voor hedendaagse kunst, waaraan een bedrag van 20.000 pond is verbonden.

Vraag hem naar zijn werk en op slag verdwijnt al zijn onhandigheid. Zijn antwoord meandert, verbreedt zich, dijt steeds verder uit. Politiek, filosofie en wetenschap verknoopt hij, zichzelf voortdurend onderbrekend. Wie hem hoort praten kan zich voorstellen dat hij zich door die 'stream of consciousness' ook in zijn werk voort laat sleuren.

Patterson is gefascineerd door ordeningen die het dagelijks leven beheersen, zoals plattegronden, het periodiek stelsel, bewegwijzering. Met betekenisvolle maar betrekkelijk geringe veranderingen ontkracht hij bekende informatiesystemen en voorziet ze van een nieuwe lading. Daarbij bedient hij zich van een scala aan technieken, variërend van boekdrukken en muurschilderen tot het maken van installaties. Kwistig strooiend met namen schept hij spanning tussen wat de toeschouwer ziet en wat hij leest. Een van zijn werken op de Turner-expositie toont drie bollende zeilen op aluminium staanders. De zeilen dragen de namen en jaartallen van literaire figuren: Raymond Chandler 1888-1959, Currer Bell 1816-55 en Laurence Sterne 1713-68, allemaal namen die naar de scheepvaart verwijzen. Het werk wekt onvermijdelijk de associatie met een onmogelijke kunstcompetitie, zoals de Turner Prize.

“We worden gezien als het saaiste stelletje genomineerden in jaren”, zegt de 29-jarige Patterson, alsof hij een goeie grap vertelt. De Turner Prize, een onderscheiding voor eigentijdse kunstenaars onder de vijftig, gedijt traditioneel bij coryfeeën en controverse, vorig jaar nog met de gehalveerde koe en kalf op sterk water van winnaar Damien Hirst. In dat mediagenieke keurslijf laten de vier kunstenaars die dit jaar zijn genomineerd en daarom in de Tate exposeren, zich niet snoeren. Voor het grote publiek zijn ze onbekenden. Dat geldt voor de gelikte schilder Gary Hume, die nu eveneens in het Bonnefantenmuseum in Maastricht exposeert, net zo goed als voor de verstilde fotograaf Craigie Horsfield, een grootmeester in intieme portretten. Douglas Gordon, die onlangs in het Van Abbemuseum exposeerde, verwierf enige faam met zijn 24 Hour Psycho, waarvoor hij Hitchcocks film in extreme slow motion laat afdraaien.

Geeuwen

Volgens Patterson is dit viertal wel degelijk grensverleggend en kwalitatief hoogstaand - van valse bescheidenheid heeft de kunstenaar geen hinder. “Maar we kietelen meer dan dat we shockeren. Ons werk is eerder beschouwend. Werk waar Britse kranten van geeuwen. Ze zijn niet geïnteresseerd in moderne kunst, alleen in een rel.”

Dat geldt niet voor alle kranten. De criticus Richard Dorment schreef in The Daily Telegraph over 'de sterkste voordracht in jaren'. Wat deze vier kunstenaars met elkaar gemeen hebben, noteerde Dorment, is 'intellectuele zwaarte en esthetische aantrekkingskracht'. Een oordeel waarin Patterson zich kan vinden. Hij roemt zijn mede-exposanten, maar noemt nog een tiental andere kunstenaars die met evenveel recht genomineerd hadden kunnen worden. Niet alleen omdat hij dol is op lijsten en namen, zoals uit zijn werk blijkt, maar ook uit pure geestdrift over het niveau en de breedte van de moderne Britse kunst. “Dat besef voorkomt dat de nominatie naar mijn hoofd stijgt”, zegt Patterson.

Douglas Gordon en hij hebben nog overwogen om een co-produktie te maken voor de Turner Prize. Pattersons expositie zou overlopen in die van Gordon. “Zo zou het hele idee van competitie op scherp worden gezet.” Een gezamenlijk kunstwerk zou ook verwarring zaaien, het handelsmerk van Patterson. Al zegt hij er meteen bij dat hij er niet op uit is de kijker simpel onderuit te halen. “Het gaat om de metamorfose, de omslag van betekenis.”

Hij herinnert zich nog het moment dat hij zijn richting vond. Twee maagdelijk witgeverfde doeken had hij aan elkaar gebonden. Op het ene doek had hij een papiertje geplakt met daarop de naam van Richard Burton. Op het andere vlak prijkte de naam van Elizabeth Taylor. Een dubbelportret.

Het was 1987, Andy Warhol was net overleden. Patterson dacht dat hij 'het wiel had uitgevonden'. “Het zag eruit als een werk waar je toe komt na jaren van destilleren. Als student heb je het voordeel dat je tamelijk arrogant kunt zijn omdat je het gewicht van je eigen werk niet hoeft mee te slepen. Ik was nog jong en naief.”

Patterson ontdekte pas later dat hij werkte in een traditie, dat ook andere kunstenaars zich richtten op het grens tussen beeld en taal. Wat hem niet weerhield een hele serie concrete poëzie-portretten te produceren, onder andere van Andreas Baader en Ulrike Meinhof. Pas met een doek van de Amerikaanse boeienkoning Houdini is hij aan de portretkunst ontsnapt.

Na zijn eindexamententoonstelling kwam Patterson, zoals zoveel academiestudenten, in een vacuüm terecht. Hij had zijn werk als coherent en volwassen moeten presenteren, “maar diep van binnen wist ik dat ik die pose niet waar kon maken.” De inmiddels overleden Lauren Maben, die net met een galerie was begonnen, hielp hem de impasse te doorbreken. “Maben was een van die mensen die je nodig hebt om invallen te testen. 'Zou het geen idee zijn om iets met de plattegrond van de Londense metro te doen', zei ik tegen haar. Het lag zo voor de hand. Ik kon me niet voorstellen dat er niemand eerder met dat plan was gekomen.”

The Great Bear, Pattersons versie van de Londense metro-kaart, is alom bewierookt en bejubeld. Hij heeft het werk opgenomen in de Turner Prize-expositie omdat het zijn meest toegankelijke en succesvolle creatie is. Het had evengoed zijn laatste kunnen zijn. Zonder medewerking van London Underground kon het project nooit van de grond komen omdat het bedrijf over alle auteursrechten op de plattegrond beschikte. Aanvankelijk stuitte Patterson op een onneembare bureaucratie met een byzantijnse structuur die wantrouwig tegenover kunst stond. Het bedrijf was bang dat Patterson het prachtige ontwerp van Henry C. Beck zou bederven. Ze eisten dat hij bij het maken van zijn kunstwerk gebruik zou maken van hun drukpersen, hun fotografen, hun cartografen. Dat maakte het project kostbaar. Als een vertegenwoordiger heeft Patterson het geld bij elkaar moeten smoezen. Uiteindelijk bleek het project alleen te financieren als hij niet zou volstaan met één exemplaar, maar voor een beperkte editie zou kiezen. “Daardoor veranderde het werk in een handelsartikel, wat zonde was. Maar ik geloof niet dat de aard van het werk erdoor vernietigd is.”

Karl en Zeppo

In de achttien maanden tussen idee en voltooiing ontstond wat Patterson 'een gekkenwerk' noemt. Hij raakte geobsedeerd door het project, kon aan niks anders meer denken, was nergens anders mee bezig. Eindeloos jongleerde hij met namen die de metro-stations moesten vervangen. Namen van heiligen, filosofen, ontdekkingsreizigers, planeten, voetballers, terroristen. Elke lijn had haar eigen logica. Pythagoras kon nergens anders liggen dan aan de Central Line, waar de metro-lijnen een rechthoekige driehoek vormen. En Karl Marx moest wel stuiten op Zeppo, één van de Marx Brothers, waar de filmsterrenlijn en de filosofenlijn elkaar kruisen. Vooral de samenhang en de snijpunten geven The Great Bear zijn kosmische kracht.

Patterson raakte in paniek op het moment dat hij ontdekte op hoe oneindig veel manieren zijn kaart kon worden gelezen. Hij was de constructie begonnen bij de eindpunten van de lijnen, gestaag boemelend richting centrum. Maar buitenlanders hadden misschien geen benul van het Londens centrum. En Londenaren beschouwden het metrostation waarbij ze in de buurt woonden waarschijnlijk als centrum en vertrekpunt. “De manier waarop ik de betekenis van het werk had willen beheersen, was bijna fascistisch. Maar ik wist dat ik een zekere mate van controle moest houden. Als de interpretatiemogelijkheden onbeperkt zijn, verliest een werk zijn belang.”

Sinds de moeizame bevalling van de metro-kaart vier jaar geleden is Patterson internationaal een veelgevraagde verschijning. Voor de Biennale van Venetië in 1993 maakte hij een fresco van de namen der apostelen bij het Laatste Avondmaal in voetbalformaties; onveranderlijk met Jezus Christus in het doel.

Patterson is blij dat hij in de aanloop naar de toekenning van de Turner Prize op 28 november een weekje naar Chicago kan om een muurschildering voor het Museum of Contemporary Art te maken. Zo'n competitie maakt hem maar lui en onrustig. “Fysiek bezig zijn met kunst heb ik nodig om mijn dagelijks leven te ordenen.”

    • Dick Wittenberg