Wat onrust hoor ik hier? Waarom Vondel onze grootste toneeldichter is

Nederlanders houden niet van de toneelstukken van Joost van den Vondel. Zijn verzen stemmen het Hollanderdom wrevelig, stelt Benno Barnard vast. Toch wordt Vondels stuk 'Jozef in Dothan' op dit moment in twee uitvoeringen gespeeld. “Niemand in de Nederlandse letteren heeft grootsere en absolutere taferelen gecreëerd dan Vondel, godenschemeringen, titanische botsingen tussen goed en kwaad, alsof hij de wolkenluchten van Jacob van Ruisdael voor het toneel wilde bewerken.”

'Jozef Trilogie' van het Theater van het Oosten is op 10 en 11 december te zien in De Leeuwenbrug in Deventer en op 17 t/m 22, 24 en 26 t/m 29 december in Theater Bellevue in Amsterdam. 'Jozef in Dothan' van Het Toneel Speelt: 22 nov: De Maaspoort, Venlo; 23 nov: Stadsschouwburg, Eindhoven; 25 nov: Schouwburg Orpheus, Apeldoorn; 29 nov: Schouwburg, Tilburg; 30 nov: Cultureel Centrum, Amstelveen; 2 dec: Theater a/h Vrijthof, Maastricht; 3 dec: Stadsschouwburg, Nijmegen. Inlichtingen: 020-5237767

Het Hollanderdom houdt niet van zijn grootste toneeldichter, die als een vroom fantoom uit de Gouden Eeuw door het collectief letterkundig onderbewustzijn spookt, rammelend met de ketens van zijn metrum. Ja, het is alsof Vondel ons 'ergens' irriteert, ons herinnert aan dingen die we liever vergeten, een afgezworen godsdienst, een teloorgegaan wereldrijk, de bodem van onze volksaard misschien...

Maar laat ik voor mezelf spreken. Ik ben ons niet. Ik vind Vondel een olympiër. Intussen wijs ik op de pijnlijke symboliek die schuilt in het feit dat de 'prins der Nederlandse dichters' tevens winkelier was.

'Voor de meeste mensen geldt dat hun weerzin tegen Vondel tijdens het voortgezet onderwijs wordt gekweekt. (-) Een paar jaar later ging ik Nederlands studeren. Het was begin jaren zeventig en toen mocht er om redenen die er nu niet meer toe doen, nauwelijks over literatuur gesproken worden, zeker niet over Vondel. (-) Een tijdje daarna ging ik regelmatig met theatermakers om. Die begonnen zonder uitzondering een beetje te braken en een gekke bek te trekken als ze de naam Vondel hoorden. Shakespeare, fantastisch, oude Duitsers, prima, belegen Franse toneelschrijvers, zónder meer een uitdaging. Over Vondel moest je echter heel gauw ophouden...'

Dit schrijft Thomas Verbogt, zelf toneelauteur, in een recente brochure van het Theater van het Oosten, naar aanleiding van de aldaar door Leonard Frank geproduceerde en momenteel rondreizende Jozef Trilogie, 'muziektheater naar Vondel' (ik verzoek de welwillende lezer die door mij gecursiveerde prepositie even in gedachten te houden).

Bravo Verbogt! Ik heb je spinnend van genoegen geciteerd! Zo zit dat. In de eenenvijftigste staat der Verenigde Staten pronkt de intelligentsia even gretig met haar liefde voor Shakespeare als ze met haar potsierlijke Engels koketteert. En, o zeker, Molière, Racine, ook met het zoete Frankrijk geurt de fine fleur volgaarne, en hoe heette die derde ook alweer... Maar Vondel? Beuhh. Dan nog liever dat tweekoppige Teutoonse monster Goetheschiller...

Arme Vondel. Wat het ondankbare nageslacht betreft had hij zich beter exclusief aan de handel in kousen kunnen wijden.

Verbazingwekkend genoeg wordt Vondel dit najaar opeens weer tot leven gewekt, door het Theater van het Oosten, zoals gezegd, maar ook door het nieuwe ensemble van Hans Croiset, Het Toneel Speelt: beide producties zijn tot in december op tournee. Nog curieuzer is dat de twee gezelschappen hetzelfde stuk opvoeren, de bijbelse tragedie Jozef in Dothan - er lijkt wel bedrijfsspionage mee gemoeid. Alleen is de tekst in de Arnhemse versie als met een hakbijl gecoupeerd en heeft men de restanten, ongeveer een kwart van het origineel, vermengd met passages uit het 'vervolg' Jozef in Egypte en er ook nog enkele tientallen verzen uit Jozef in 't hof doorheen gestrooid, een door Vondel uit het Latijn vertaald werk van Hugo de Groot. Bovendien is de handeling naar Amerika verplaatst en wordt het geheel opgeluisterd met levende muziek, gecomponeerd door Vincent van Warmerdam, waar de acteurs sommige tekstgedeelten ook op zingen. Dat wordt dus met 'muziektheater naar Vondel' bedoeld.

Vondel zelf, inmiddels, schreef zijn Jozef-drama's in 1640. Hij was toen de vijftig gepasseerd, oud voor die dagen, al had hij nog vier decennia te gaan. Dood zoontje. Dode vrouw. Achter zich een carrière als opponent van Maurits en de orthodoxe predikanten, die geïnspireerd was door humanistische idealen, doopsgezinde tolerantie, weerzin tegen iedere geestdrijverij... kortom, het beste wat de Republiek te bieden had. Tot zijn geschriften behoorde het hekeldicht Decretum Horribile uit 1631, waarin hij met het kilste van alle calvinistische geloofsartikelen had afgerekend, de leer der predestinatie en zes jaar later had hij, de scepticus, criticus, satiricus, het hooghartige Amsterdam in zijn eigen moerassigheid laten wegzinken, notabene in een stuk dat bestemd was voor de opening van de nieuwe schouwburg, Gysbreght van Aemstel. Geen wonder, misschien, dat Vondel in 1640 met het metafysische vraagstuk van goed en kwaad worstelde, of dat hij zich aangetrokken voelde tot een held in een put, of dat hij omstreeks diezelfde tijd de reformatorische scherpslijperijen liet voor wat ze waren en terugkeerde in de gulle moederschoot van de rooms-katholieke kerk...

Jozef in Dothan was voor het laatst gespeeld in 1960. Toen Croisets eerbiedige en door mij zeer geapprecieerde Vondel deze zomer in première ging, waren dus precies die jaren verstreken waarin ons beeld van de Gouden Eeuw, onze geschiedenis en onszelf grondig was gewijzigd. Zo betekent 'calvinisme' tegenwoordig pas in tweede instantie een bepaalde tak van de reformatie en is het eerst en vooral een synoniem van 'benepenheid', 'deficiënte levensvreugde', 'seksuele frustatie'. En zo is het van alle kluisters bevrijde Hollanderdom thans geëvolueerd tot een toestand van permanent beleden epicurisme.

Dit alles is wel erg amusant, van enige afstand beschouwd, maar het maakt Vondel nog veel ingewikkelder. 'In zijn eerdere Vondel-ensceneringen', aldus Pieter Kottman in deze krant, 'ontdeed Croiset de schrijver al van het imago van een vervelende alexandrijnenrijger te zijn en betoonde hij zich niet de exegeet van bijbelvaste christelijkheid, maar een humanist.' Heel goed! Woorden die passen in de kolommen van een liberaal dagblad! Alleen schept Kottman wel de nodige semantische verwarring, want als hij (= Croiset) een 'humanist' is, moet de conclusie haast luiden dat hij (= Vondel) dat niet is, maar wel een vervelende bijbelvaste christen. De premisse van dit syllogisme luidt: 'bijbelvaste christen' 'humanist'. Helaas is dat in Vondels geval aantoonbaar onjuist. Het komt mij voor dat de dichtprins hier het slachtoffer is geworden van een betekenisverschuiving: 'humanist' 'ongelovige'... Overigens gaat het verhaal bij Croiset gewoon over mensen, evenals bij Vondel trouwens. Voor de steil-atheïstische lezer, die in navolging van J.P. Guépin meent dat het nogal woeste boek Genesis het moreel inferieure product van een barbaars woestijnvolk is, voeg ik er ook nog aan toe dat de meeste personages in het originele verhaal zich weinig bijbelvast gedragen.

De Jozef Trilogie van Leonard Frank is... welnu, een ander verhaal. Ik ben nog niet in de gelegenheid geweest de opvoering te zien, maar die doet nu even niet ter zake - wat mij interesseert is de 'lezing' van Vondel, of het 'intellectuele uitgangspunt' van de voorstelling, zo men wil. Door een samenloop van omstandigheden had ik het voorrecht om nog tijdens de repetitieperiode met Leonard Frank en Laurens Spoor over dit onderwerp te kunnen praten (Spoor, een briljant vertaler van Racine en Molière, een alexandrijnse casus welhaast, was als eindredacteur van de bewerking opgetreden).

Frank lichtte met veel vuur zijn regieconcept toe, dat ongeveer hierop neer kwam dat Jozef en zijn broers heel vergelijkbaar waren met 'berooide Europese immigranten' in het Amerika van de late negentiende eeuw, en dat Jozef zèlf iemand was 'in vervelende omstandigheden' 'met sublimerende dromen': ook Egypte, de vrouw van Potifar, het onderkoningschap waren allemaal 'sublimatie', allemaal 'fantastische projectie', à la het nijgen van de korenschoven en de revérence der hemellichamen in zijn echte dromen (die aanhalingstekens heb ik rond woorden uit mijn bij ons gesprek gemaakte krabbels gezet).

Gaandeweg beving mij het onbehaaglijke gevoel dat Frank meer affiniteit met Ellis Island, de psychoanalyse en het vorige fin-de-siècle ontvouwde dan met dat oude Hebreeuwse epos, Vondel of de Gouden Eeuw... Thuis las ik vervolgens dit ongesigneerde proza in een vouwblad van het Theater van het Oosten:

'Vondel is een typische vertegenwoordiger van de Gouden Eeuw. Zijn moraal in de stukken over Jozef is: op een kuis, eerlijk en godvrezend leven volgt succes. En in de Gouden Eeuw is men zogenaamd kuis èn eerlijk èn godvrezend èn heeft men succes in het leven. De grote vraag is natuurlijk of Vondel en zijn tijdgenoten gelijk hadden. De Gouden Eeuw was de periode van het beginnende kapitalisme en er is eens beweerd dat de verheven en vaak uitbundig beleden christelijke moraal van die tijd niets anders was dan een ideële legitimatie van uiterst commerciële praktijken. (-) Waarbij het voor ons een extra interessante gedachte is om van Jozef weer de Jood te maken die hij is, en niet de christelijke kloon die Vondel van hem gemaakt heeft.'

Dit lijkt me een verbluffende analyse van de vroeg-kapitalistische Vondel, gemaakt door een typische vertegenwoordiger van de late twintigste eeuw. Hé daar! Is dat niet mijn goeie ouwe vriend Max Weber, die schim tussen de regels? Verdomd, de auteur van Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus, de schepper van die absolute opinion chic over de reformatie, namelijk dat de calvinistische deugdzaamheid het kapitalisme bij de hand heeft genomen... Hoe ironisch, dat uitgerekend Vondel, de humanist, de katholiek, de middenstander tegen wil en dank, door zijn eigen producenten met alle zonden van het calvinisme wordt beladen! Maar ook het calvinisme zelf verdient iets meer nuancering, want nog in Vondels leven was dat een revolutionaire beweging geweest, een bevrijdingsbeweging, die mensen had leren lezen en schrijven en politiek bewust worden... horribile dictu, maar zo is het wel.

Wat nu die 'christelijke kloon' betreft: de anonieme schrijver van die woorden lijkt me geen geschoold theoloog. Waarschijnlijk bedoelt hij dat Vondel Jozef als een prefiguratie van Christus afschildert, maar dan is het nuttig om te weten dat het Beloofde Land en de Republiek in de collectieve verbeelding van het toenmalige Hollanderdom elkaars metaforen waren, of simpeler uitgedrukt, dat de oudtestamentische verhalen dicht bij de politieke realiteit stonden en dus heel herkenbaar waren: zelfs de domste calvinist zag bijvoorbeeld in de figuur van de farao wel een soortement Filips II. De ondogmatische Vondel nu, die in een toegift bij zijn allereerste drama, Het Pascha ofte de Verlossing Israëls uit Egypte uit 1610, de joodse exodus en de Hollandse rebellie al met elkaar vergelijkt, speelt in zijn Jozef-stukken virtuoos met de (nog altijd in de bodem van onze volksaard borrelende) neiging van het Hollanderdom om zich met het jodendom te vereenzelvigen. Zo zegt Judas tegen de Arabische vrachtmeester aan wie hij zijn broer in een prefiguratieve bui 'voor tien paar zilverlingen' verkoopt (de valuta rijmt op het werkwoord 'dingen'):

't Is al van heerschappij dat deze jongen droomt. Dit baart afkerigheid. Hij kan nog beter leren en beter onder vreemde dan binnenlandse heren. Verrukkelijke dubbelzinnigheid! Droomde onze heerlijke nieuwe Republiek in 1640 soms niet van heerschappij? En hadden binnenlandse heren Oldenbarnevelt soms niet vermoord? Natuurlijk, natuurlijk, Jozef is de held, maar ook hij blijft een jood, en men kan Vondel moeilijk beschuldigen van die antisemitische tic van de negentiende-eeuwse theologen om Jezus (of Jozef) als een christen voor te stellen.

'Naar Vondel'... Ach, wat houd ik van dat gebabbel van regisseurs, die hun tong in alle denkbare taalkundige knopen zullen leggen om toch maar de aandacht te vestigen op het feit dat zij de kunstenaar zijn, dat zij Melpomene dienen, en dat de schrijver, nu ja, de schrijver...

Beuhh.

Niemand in de Nederlandse letteren heeft grootsere en absolutere taferelen gecreëerd dan Vondel, godenschemeringen, titanische botsingen tussen goed en kwaad, alsof hij de wolkenluchten van Jacob van Ruisdael voor het toneel wilde bewerken, en toch is ieder Vondeliaans verhaal tegelijkertijd menselijk, soms zelfs intimistisch - niet voor niets leefde de dichter in die glanzende eeuw waarin het humanisme de barok ontmoette, die luisterrijke periode waarin Amerika onze achttiende provincie was.

Nee, inhoudelijk is Vondel hoogst interessant; en als ik gelijk heb met mijn bewering dat hij het Hollanderdom wrevelig stemt, het in zijn achilleshiel treft, dan is hij nog veel interessanter.

En formeel? Irriteert hij ons soms ook met zijn vorm? Die verzen?!

Ik heb een stal vol stokpaarden en dit is een geliefkoosd exemplaar: toneel in verzen. De kwestie is dat het Hollandse volk verzen verafschuwt, maar dat het geletterde deel van de natie zijn weerzin in Vondels geval achter de drogreden der dreunende alexandrijnen verstopt: een cliché als een afgekloven bot, maar ik heb menige intellectueel met dat bot zien zwaaien. Bijkomende kwestie: buiten Hans Croiset en nog een paar andere dwazen heeft niemand in de toneelwereld ook maar een notie van poëzie.

Van dat laatste kan ik meepraten (van het eerste trouwens ook). Ik heb regisseurs tegen acteurs horen zeggen dat ze Shakespeare 'niet in verzen' mochten spelen, wat de vraag opwierp waarom ze zich dan überhaupt met hem bezighielden. Om de psychologie? De politiek? Ik zou zeggen: speel een mythe als een mythe, speel verzen als verzen, doe niet alsof kunst geen kunst is, want het resultaat is raar klinkend proza... Welke geestige ervaringen met het toneelvolkje heb ik nog meer? Ooit moest ik op een toneelschool komen uitleggen wat het vijfvoetige jambische vers van die Engelse zwaan nu precies inhield, want geen enkele docent van het instituut was daartoe bij machte...

Nog een vrolijke anekdote: toen mijn geheel in verzen geschreven monoloog Het mens in Gent in première was gegaan, merkte de criticus van het weekblad Knack op dat het tweede bedrijf 'terecht' 'in proza' was geschreven - wat suggereerde dat zowel het eerste als het derde bedrijf ten onrechte in een of andere versvorm was gegoten, en bovendien bewees dat die schat, die zo aardig over mij schreef, het tekstboekje met geen blik had verwaardigd!

Maar hoe zit dat nu met die alexandrijnen? Klinken die dan niet als marcherende soldatenlaarzen? En een alexandrijn, was dat nu...

Acteurs met een militaire dictie kunnen Vondels alexandrijnen moeiteloos laten dreunen, vooral in die passages waar hij gepaard in plaats van gekruist rijm hanteert: die telkens herhaalde twaalf of dertien lettergrepen rijgen zich dan inderdaad aaneen tot een lange mars door de grammatica, pomPOMpomPOMpomPOMpomPOMpomPOMpomPOM(pom) maal zoveel versregels als het ding duurt. Anderzijds kunnen acteurs met enig muzikaal gevoel diezelfde alexandrijnen laten dansen, bijvoorbeeld door de voorgeschreven rust na de eerste drie jamben te benutten (de rust valt hier samen met de komma):

De min eist niemand half, maar de gehele mens.

Maar Vondels taal, ook los van zijn verzen, die is toch... hoe noem je dat, archaïsch?

Niets in het met iedere modevlaag als een windhaan meetollende Holland is verschrikkelijker dan de beschuldiging van ouderwetsheid. Maar alles welbeschouwd is Vondels Nederlands niet eens zo ouderwets, en op hier en daar een woord of een uitdrukking na ook niet moeilijk te volgen - nog afgezien van het feit dat hij moderner zou klinken als we hem maar iets regelmatiger speelden. (Hollanders en hun tradities! Hollanders en de liefde voor hun taal! Maar waar wind ik me over op? We zijn nu eenmaal een volk dat zijn eigen moeder aan de meestbiedende zou verkopen.)

In de tekstboekjes van Het Toneel Speelt en het Theater van het Oosten is men de hedendaagse lezer tegemoetgekomen door de spelling en interpunctie te moderniseren; Laurens Spoor heeft hier en daar ook een woord op metrisch verantwoorde wijze vertaald, terwijl de neerlandica Stefanie de Meijer van haar kant de tekst heeft opgesierd met woordverklaringen, blijkbaar op basis van haar eigen vocabulaire, want minstens de helft ervan is overbodig... of denkt zo'n academische bolleboos soms dat de schouwburgen vol zitten met mensen die het woord 'nabauwen' ('nabootsen') niet kennen? Jammer genoeg heb ik hier geen ruimte om die twee bewerkingen in detail met elkaar te vergelijken; maar het doet in elk geval deugd te zien dat een orthografische ingreep al volstaat om een tekst uit de renaissance voor de eenentwintigste eeuw te ontsluiten.

Wanneer Potifar in Jozef in Egypte bij zijn oude voedster naar de toestand van zijn minzieke echtgenote Jempsar komt informeren, volgt deze dialoog:

Potifar: Doe open, Voedster, hou: wat onrust hoor ik hier? Hoe vaart mevrouw? Voedster: Een vrouw is een rampzalig dier: Daar zit zij voor de sponde, en heeft maar pas geslapen. Potifar: Hoe is het toch, mijn troost? Hoe is 't met u geschapen? Et cetera (ik citeer hier overigens uit Toneelspelen II. Bibliotheek der Nederlandse Letteren, 1941).

Zo'n scène bewijst hoe grappig Vondel kan zijn, en dat is wel het allerlaatste epitheton dat men hem spontaan zou toedichten, nietwaar? Bovendien rijmt hij met een nonchalant gemak, alsof hij totaal geen hinder ondervindt van heel dat uit de Gallische cultuur geïmporteerde stijf-classicistische decorum, heel die Franse reumatiek, die Raciniaanse... Wacht, wacht, als ik hem nu eens met Racine vergeleek? Niet met Shakespeare, die nu eenmaal onvergelijkbaar is, maar met de dichter van Phèdre? Die tragedie (uit 1677 en vertaald door dezelfde Laurens Spoor) handelt over een soortgelijke verboden liefde als die van Jempsar voor Jozef: Phaedra, de vrouw van koning Theseus, staat namelijk in vuur en vlam voor haar stiefzoon Hippolytus.

Ach! Smart niet eerder nog ervaren! Voor welke nieuwe kwelling rekte 'k mijn bestaan! Al wat ik heb verduurd, mijn angsten, mijn verlangens, Mijn vlammend liefdesvuur, mijn vlijmend schuldbesef, De grove krenking wreed te worden afgewezen, 't Valt alles in het niet bij wat ik nu doorsta. Aldus becommentarieert de rampzalige vorstin haar ontdekking dat Hippolytus een liefje heeft. Het ís voortreffelijk vertaald, hoewel Spoor zijn alexandrijnen niet heeft berijmd - maar zijn Jempsars verleidingskunsten niet veel puntiger, beeldender, poëtischer geformuleerd?

Zo storf ik om de min, de zoetste dood van alle. Mijn zinlijkheid waar' mij die suikren dood wel waard. En waar heeft ooit de dood rechtschapen min vervaard? Wat vreselijke dood kan ware liefde scheiden? Al blijft het lichaam hier, de zielen zelf geleiden Malkanderen beneên, in 't onderaardse veld, In 't vrolijk mirtebos: daar kust men, daar vertelt D'een d'ander zijn fortuin, en eerste sluikerijen: Daar wordt men weder maagd: daar leert men weder vrijen...

    • Benno Barnard