Wat hij bezingt wordt een farce; Boek over Andy Warhols 'Factory'

Andy Warhol vroeg regelmatig aan zijn vrienden en kennissen wat hij moest schilderen. Op hun voorstel maakte hij dan schilderijen van een elektrische stoel, een auto-ongeluk, een koe, een soepblik of een bankbiljet. Wie nu naar die doeken kijkt, wordt niet meer verrast door de voorwerpen of de felle kleuren, maar door de afstand die Warhol nam. “In het begin begreep hij dat hij zijn eigen romantiek voor de verkenningen van de oppervlakte niet kon gebruiken.”

John O'Connor en Benjamin Liu: Unseen Warhol, Uitg. Rizzoli, 208 pag. Prijs ƒ 98,-.

Op een dag aan het eind van de jaren zeventig kreeg Andy Warhol in The Factory, de studio waar hij met zijn vele assistenten werkte, bezoek van een Franse verslaggeefster. Warhol nam het komende vraaggesprek, zoals altijd, hoogst ernstig. Het bood hem de kans verder te werken aan het wereldwijde beeld van een man die zich alleen in de oppervlakte der dingen verdiept.

De bezoekster hoopte op prikkelende uitspraken tegen de schilderkunst van het grote gevoel. Wat kon ze niet verwachten van iemand die zei dat er helemaal niets achter zijn films en schilderijen zat. Hij hield van de verveling, van rijen op elkaar lijkende voorstellingen en hij vond warenhuizen de mooiste musea die er bestaan.

De schilder Ronnie Cutrone, toen een van de belangrijkste medewerkers in The Factory, was als Warhols 'wandelstok', zoals hij zichzelf noemt, bij het gesprek aanwezig. Hij herinnert zich dat de Française een vraag stelde die de anders zo koele meester volkomen van zijn stuk bracht.

Ze had ergens gelezen dat hij in helemaal niets geloofde. Was dat waar? Warhol werd vuurrood en antwoordde dat hij dit nooit had beweerd. Lepe tussenvraag: hoe bedoelt u? Om tijd te winnen herhaalde de ondervraagde dat hij zoiets nooit had gezegd en om het misverstand recht te zetten voegde hij er vlug iets aan toe.

'Kijk naar het oppervlak van mijn schilderijen en daar vind je wat ik bedoel. Dat heb ik gezegd. Maar ik geloof wel degelijk in dingen.'

'Waarin dan wel?'

Warhol wist wel dat hij door die drie achteloos klinkende woorden was omsingeld. Hij kon misschien nog een zijweg inschieten en toch gaf hij regelrecht antwoord.

'Ik geloof in God.'

Volgens Ronnie Cutrone keek Warhol of de sluier van zijn gezicht was getrokken. Hij probeerde met 'en ik geloof ook in Ronnie' de kracht van zijn bekentenis nog te temperen. Het was al te laat. De verslaggeefster kreeg meer dan ze ooit had verwacht en zal de uitspraak wel als kop boven het interview hebben gezet. In het verhaal van Cutrone blijft ze anoniem. Het staat in Unseen Warhol van Benjamin Liu en John O'Connor, twee assistenten die in de jaren tachtig in The Factory werkten.

In dat boek laten zij vierentwintig vrienden of bekenden van Warhol (1928-1986) aan het woord, vanaf het ogenblik dat hij in de jaren vijftig thuis bij zijn moeder Campbell's tomatensoep lepelend naar de tv keek en illustraties voor schoenadvertenties maakte tot aan zijn door de beau monde in 1986 bezochte herdenkingsdienst in St. Patrick's Cathedral te New York.

In Unseen Warhol staan geen beschouwingen. Liu en O'Connor hebben voor het schijnbaar openhartige vraaggesprek à la Warhols blad Interview gekozen. Zo konden ze de belevenissen van anderen het eenvoudigst uit eigen ervaring aanvullen.

Johnny Walker

De toon van het door Johnny Walker Black Label mogelijk gemaakte boek wordt in het voorwoord van Glenn O'Brien gezet. Deze oud-Interview-redacteur zegt dat Warhol de eerste schilder was die onder het motto 'de schoorsteen moet roken' zijn atelier als een bedrijf leidde. Geen praatjes over kunst en religie maar een zaak die geld wil verdienen zonder dat het onderwerp er veel toe doet. Het lijkt een harde wereld, maar aan het eind van het stuk kruipt het sentiment toch naar binnen.

Dan houdt O'Brien domweg van Warhols werk. Schilderijen, foto's, films, tv-commercials, platenhoezen, een rock-band, een roman, een toneelstuk, een tijdschrift, een tv-show, hij vindt het goed, mooi gemaakt en zelfs schitterend, 'elk ding dat voortkwam uit die bleke, dunne hand'.

In de volgende gesprekken begint The Factory steeds meer op een tempel te lijken met Warhol als een vluchtige god. Hij droeg een witte pruik, sprak in raadselachtige zinnen, omgaf zich met supersterren die hij zelf had opgeleid en at karig voedsel als chocola of gestoomde spinazie. Geen sigaretten, geen drank, geen verdovende middelen.

Hij sprak zacht en gedroeg zich zo terughoudend dat het leek of hij zich achter een glazen plaat bevond. O'Brien zegt dat Warhol dol op mensen was en toch zorgde hij er voor dat ze op een armlengte van hem bleven. Een wandelende leegte, dat moet hij zijn geweest, misschien wel om zijn vele medewerkers en bezoekers zelf aan het woord te laten.

In de keuze van iconen als zeepdozen, elektrische stoelen, soepblikken, filmsterren, merkflesjes of bankbiljetten hadden zijn bekenden een grote stem. 'Wat moet ik schilderen?', vroeg hij steeds weer. Het antwoord was hem even veel waard als wanneer hijzelf een plaatje in een tijdschrift zou hebben gevonden.

David Bowie noemde hem, toen hij in een film Warhol moest spelen, een filmdoek. In Unseen Warhol keert dat beeld van een witte man op wie anderen naar hartelust een gevoel of een idee kunnen projecteren op verscheidene bladzijden terug.

Van de superster Baby Jane Holzer tot de Interview-advertentie-acquisiteur Paige Powell, van de fotograaf Billy Name tot de antiekhandelaar Vito Giallo, van de mode-ontwerper Stephen Sprouse tot de schilder Kenny Scharf, iedereen praat zo ernstig over Warhol dat The Factory in een sekte verandert. De beeldenstorm mag er soms nog zo vrolijk uitzien, hij wordt door voorschriften aangewakkerd. Dit mag niet en dat mag wel en wee je gebeente als je van de regels afwijkt.

Pas op tweederde van het boek durft Maura Moynihan, eens een Girl of the Moment van Interview, in lachen uit te barsten. Hoe vaak wordt niet vergeten dat Andy een briljante komiek en de grootste satiricus van zijn tijd was. Moynihan herinnert zich dat een Harvard-professor het Campbell's blikje zo diepzinnig vond dat hij er niet over uitgepraat raakte. Zij dacht alleen maar 'wat een grap, Andy lacht zich suf als hij de duiten opstrijkt'.

Ze vond het nog gekker dat al die intellectuelen werkelijk zes uur lang naar zijn film Sleep (1963) zaten te kijken, 'zo ongelooflijk grappig', een man slaapt al die tijd in bed, meer niet. Als de interviewers, zelf leden van de sekte, vragen of Warhol ooit iets ernstig nam, zegt Moynihan dat hij doodernstig was en zichzelf tegelijkertijd parodieerde. Juist in dit dubbelzinnige van al zijn beelden zat iets verontrustend.

Koeien

Het is de scherpzinigste opmerking uit het boek dat met die eeuwige terugkeer van The Factory ook iets van een tv-journaal krijgt. De mededelingen zouden op één vel schrijfpapier kunnen maar ze worden door leesplankbeelden uitgewalst, net of ons vermolmde geheugen niet meer over de eenvoudigste gegevens beschikt. Gaat het over een ziekenhuis dan zie je een verpleegster door een gang lopen, bij een bericht over koeien staat het vee in de wei, is er iets met het verkeer dan rijden er werkelijk een paar auto's achter elkaar.

Andy Warhol was soms minder ernstig dan de meeste leden van zijn sekte. Hij zei dat zijn voorkeur naar amateurs en naar slechte schilders uitging. Wat zij willen maken komt nooit echt tot stand en daarom kon het naar zijn idee nooit bedrog zijn. Zelf bereidde hij jarenlang de expositie The Worst of Warhol voor, een plan dat door zijn vroege dood is verijdeld.

Hij probeerde een grappige god te worden zonder dat hij enkele finesses van de ernst uit het oog verloor. Kenny Scharf vertelt dat Warhol eens een familieportret van hem, zijn vrouw Tereza en hun dochtertje Zena zou maken. Tot Scharfs verbazing stelde de schilder twee gescheiden portretten voor: Kenny met Zena en Tereza met Zena. Zo te zien was hun huwelijk goed en toch kon je nooit voorspellen hoe het zou aflopen.

Aan Vito Giallo vertelde Warhol, lang voor zijn roem, dat hij elke woensdagavond naar seksles ging, ongeveer zoals een ander dansles neemt. Die lessen werden gegeven door een zekere Valerie en een met haar bevriende matroos. Giallo vermoedt dat de leerling braaf toekeek, omdat Andy wel iets van een voyeur had. Hij laat een andere mogelijkheid onbesproken. Misschien was de jonge Warhol echt niet van enkele technische bijzonderheden op de hoogte.

Later noemde hij het bezoeken van een feestje zijn werk. Hij wilde een gezicht ontdekken voor een portret en hij lette op beroemdheden die geschikt waren voor zijn blad, al schreef hij er nooit in. Toch nam hij zelf niet aan het partijtje deel. Van alle ondervraagden geeft Daniela Morera, de Europese redacteur van Interview met standplaats Rome, het scherpste beeld van Warhol wanneer hij tussen de feestgangers aan het werk was.

Hij praatte niet, hij dronk niet, hij deed helemaal niets. Hij liep niet eens van de ene naar de andere hoek in de kamer. Hij maakte op Morera niet de indruk van een levend mens, het was eerder of hij, als een staande lamp, de ruimte decoreerde. Ze zou ten slotte goed bevriend met hem raken. Het duurde twaalf maanden voor ze de klank van zijn stem hoorde.

Morera maakte kennis met Warhol lang na 3 juni 1968, toen Valerie Solanas in The Factory op hem schoot en zijn longen, milt, maag, lever en slokdarm trof. De vroegere Interview-redacteur vermoedt dat die aanslag de oorzaak van zijn zwijgzaamheid was. Het schot zal hem niet spraakzamer hebben gemaakt en toch heeft het zijn werk niet veranderd.

Wat was het onderwerp van dat werk en hoe kon het de leden van The Factory, tot in de Unseen Warhol toe, zo hecht met elkaar verbinden?

Er is vaak beweerd dat de pop art de goederen van de zogenaamde consumptiemaatschappij aanvaardde en binnen de grenzen van de deftige kunst trok. Van die smokkelbende zou Warhol de belangrijkste vertegenwoordiger zijn geweest. Klinkt te simpel, gelukkig is de lach van Maura Moynihan nog niet verstomd. Wie naar een reeks Cola-flesjes, Campbell's soepblikken of Brillodozen kijkt, weet dat de Keystone Cops, The Marx Brothers en zelfs de elkaar in oog en oor priemende Three Stooges niet ver uit Warhols buurt zijn. Toch heeft het werk na al die jaren zijn brutaliteit voor een deel verloren. Daar kwam iets anders voor in de plaats. Het lijkt wel of Warhol wist dat hij zijn werk een reserve moest geven.

Schaduw

Ronnie Cutrone zegt dat hij Andy Warhol aan het eind van de jaren zeventig op een nieuw idee bracht. Het was hem opgevallen dat hij vaak schaduwen schilderde. Waarom nam hij die niet als een volledig onderwerp? Warhol vroeg of hij de schaduw van een mens of een voorwerp bedoelde. Nee, nee, die juist niet. Cutrone had het over een onbestemde schaduw van bij voorbeeld een uit karton geknipte vorm. Als Warhol die schilderde zou de abstractie groter worden.

Het verbaasde Cutrone niet dat hij meteen met de voorbereidingen mocht beginnen. Zijn opdrachtgever had grote eerbied voor abstracte schilders als Pollock, Newman en de Kooning tegen wie de pop art zich zou hebben afgezet. Zo werkten Warhol, Cutrone en de schilder Steven Mueller samen aan 102 reusachtige doeken met schaduwen in de felste kleuren die in 1978 zij aan zij werden tentoongesteld.

Het is niet Warhols beste werk. Nu de herkomst van de schaduw onbekend is, sluipt er iets willekeurigs in elke voorstelling. Er wordt ook duidelijk op kunst gemikt. De kiel ontbreekt, het reële dat Warhol nodig heeft. Niet voor niets noemt Cutrone Zelfmoord uit 1963 zijn lievelingsschilderij.

Op het fragment van dit werk in Unseen Warhol is de schaduw van een man met opgeheven armen en gekromde benen te zien. Hij zeilt langs een wolkenkrabber omlaag en juist die donkere afdruk op de grijze muur, die aarzeling tussen de half-abstracte schaduw en de concrete gebeurtenis maakt de voorstelling onvergetelijk.

Hij vroeg steeds maar wat hij moest schilderen. Een electrische stoel, een auto-ongeluk, een koe, een bloem, een blik, een fles, een bankbiljet, soms tientallen voorbeelden van hetzelfde achter elkaar. Wie nu naar die voorstellingen kijkt wordt niet meer verrast door de hoeveelheid of de felle kleuren. Wat juist telt is de afstand die Warhol tot al die dingen inneemt, ook tot die langs een wolkenkrabber vallende man.

Andy Warhol is ruim tien jaar dood. In Unseen Warhol wordt hij de romanticus die hij in het geheim altijd is geweest. Die houding ging eerst schuil achter de extreme keuze van zijn onderwerpen, de herhaling van een simpel motief, de absurde lengte van een film. Toen er foto's van zijn privé-vertrekken werden gepubliceerd, begon het beeld van de onbewogen kunstaar te kantelen. Naast een stripschilderij van Roy Lichtenstein hing hoogst romantisch werk van kunstenaars als Sir Lawrence Alma Tadema en William Adolphe Bourguereau.

Die voorkeur is nogal eens afgedaan als een listig voorbeeld van camp, zoals het spel van de smaak in die dagen werd genoemd. Ten onrechte. Warhol ontkende de romantiek in zijn vroegste beelden en juist die ontkenning geeft de voorstelling haar kracht. Als hij een paar jaar voor zijn dood schilderijen van Leonardo da Vinci en Paolo Ucello nabootst, komt de romantiek jammer genoeg onversneden aan de oppervlakte en worden de doeken flets en sentimenteel. Het laatste avondmaal mag voor Warhol persoonlijk nog zoveel hebben betekend, zodra hij het bezingt wordt het een farce.

In het begin begreep hij dat hij zijn eigen romantiek voor de verkenningen van de oppervlakte niet kon gebruiken. Hij had een goed gevoel voor het eigen tekort. Door de beperkingen die hij zichzelf oplegde bereikte hij een gebied dat door anderen nog nauwelijks was betreden. Hij probeerde de kaalte te schilderen, als de dingen nog niet door de een of andere voorkeur zijn vervormd.

Warhols invloed op de generaties na hem is zo groot dat die terugslaat op zijn eigen werk. De keuze van een fles, een doos of een bankbiljet is niet meer belangrijk. De manier waarop hij ze heeft geschilderd, die telt alleen nog. Het werk uit de jaren zestig en zeventig is niet alleen grappig, maar ook onverbiddelijk. Hij sprak de waarheid, toen hij zei dat hij alleen de buitenkant der dingen wilde afbeelden. Meer moet er voor de god waarin hij geloofde niet zijn geweest.

    • K. Schippers