Tentoonstelling Imi Knoebel in het Stedelijk Museum Amsterdam eerste van serie over Duitse kunstenaars; Een spoedcursus kunstgeschiedenis zonder toevoegingen

Imi Knoebel: Werken 1968-1996. T/m 12 jan. in Stedelijk Museum, P. Potterstraat 13, Amsterdam. Dag. 11-17 u. Catalogus ƒ 79,-.

Imi Knoebel is een grijze teil vol glazen potten. Hij is ook een paar groene laarzen, twee brandspuiten, een oude houten kist vol gereedschap, een langwerpige kubus van hardboard, een rechthoekig stuk roodgeschilderd hout en een vette, rode jerrycan. Wat Knoebel in ieder geval niet is, is een witte kartonnen doos - tenminste, als we de titel van zijn installatie Selbstportrait mit Pappkarton (1983/87) mogen geloven.

Het is een wat merkwaardig zelfportret, dat Knoebel in het Stedelijk Museum in Amsterdam heeft neergezet. Wie de rest bekijkt van zijn tentoonstelling die voornamelijk bestaat uit felgekleurde schilderijen en sobere, esthetische installaties, krijgt niet het gevoel dat dit rommelhok de kunstenaar weerspiegelt. Al die oude, persoonlijke spullen - in het bijzonder die doos, ter hoogte van het hoofd - moeten dan ook wel een verwijzing zijn naar Joseph Beuys, bij wie Knoebel in het midden van de jaren zestig studeerde. Beuys boetseerde zijn Fettecken in soortgelijke kartonnen dozen, en samen met zijn viltsculpturen vormden die een onderdeel van de 'persoonlijke mythologie' waarmee Beuys beroemd werd. Die roem was ook de belangrijkste reden dat jonge kunstenaars als Knoebel op de academie in Düsseldorf allerlei slinkse wegen bewandelden om les van Beuys te mogen krijgen - en als de titel Selbstportrait klopt is Beuys hem niet in de koude kleren is gaan zitten.

In tegenstelling tot andere Beuys-leerlingen als Jörg Immendorff, Anselm Kiefer en de vroeg overleden Blinky Palermo, is Imi Knoebel nooit echt beroemd geworden. Zijn werk is in Amerika tot het einde van de jaren tachtig zo goed als genegeerd. Knoebel mag zich vooral in Duitsland en Nederland in een zekere populariteit verheugen: die krijgt nu een bekroning in het Stedelijk Museum in Amsterdam waar Knoebel (1940) als groot kunstenaar wordt gevierd. Niet alleen mocht hij van directeur Rudi Fuchs elf zalen inrichten met zo'n 75 werken, ook vormt de expositie de opmaat tot een reeks tentoonstellingen van 'belangrijke naoorlogse Duitse kunstenaars' die het Stedelijk het komende jaar gaat maken met Markus Lüpertz, Ulrich Rückriem en Katharina Sieverding. Dit is een opmerkelijk rijtje als je bedenkt dat al deze kunstenaars hun hoogtepunt al achter de rug hebben, en lang zo actueel niet zijn als landgenoten als Gerhard Richter of de hele 'Becherschule' rond de fotografen Bernd en Hilla Becher en hun leerlingen Thomas Ruff en Thomas Struth.

De keuze voor Knoebel, Lüpertz, Ruckriem en Sieverding wordt begrijpelijker als men bedenkt dat ze perfect passen in de 'Europese traditie' die Fuchs zo graag propageert als tegenwicht tegen de 'overheersing van de Amerikaanse cultuur' de afgelopen vijftig jaar. In dit opzicht is de Amerikaanse afkeer van Knoebel dan ook een aanbeveling, maar dat is niet de enige reden dat Fuchs met Knoebel zal zijn begonnen. Want boven alles is het werk van Knoebel een amalgaam van de belangrijkste Europese (schilder)kunst van deze eeuw: Knoebel is niet alleen diepgaand beïnvloed door Beuys, in veel van zijn schilderijen zie je ook de invloed van Mondriaan en Malevitsj.

De schilderijen van Knoebel zijn nauwelijk schilderijen in de traditionele zin. Hij ziet, zoals hij zelf altijd verklaart, zijn werk het liefst als een gevecht met de schilderkunst, in het bijzonder met het platte vlak van het schilderij. Voor iemand die zo met dat onderwerp worstelt, heeft Knoebel er echter een eenvoudige oplossing voor gevonden: hij heeft er eenvoudig een dimensie bijgehaald, waardoor zijn 'schilderijen' een soort wandsculpturen zijn geworden die je van verschillende kanten kunt bekijken. In dat opzicht is Knoebel schatplichtig aan Malevitsj en Mondriaan, want beide kunstenaars probeerden op een zeker moment aan de twee-dimensionaliteit van het schilderij te ontsnappen. Malevitsj ging in zijn suprematistische schilderijen op zoek naar de derde en zelfs de vierde dimensie en het hoeft dan ook weinig verbazing te wekken dat Knoebels Kadmiumrot 0 (1975/84) er uitziet als een opgeblazen versie van Malevitsj rode Suprematisme uit 1915, een schilderij met acht rode vlakken van verschillend formaat. Knoebels werk bestaat uit vijf forse panelen, ook van verschillende grootte, ieder zo'n acht centimeter dik en egaal knalrood geschilderd. Het ziet er indrukwekkend uit, door het formaat en de opdringerig rode kleur - maar het blijft een driedimensionale variant op Malevitsj.

De invloed van Mondriaan is wat gevarieerder. Enerzijds gebruikt Knoebel voor verschillende schilderijen het streng primaire palet waarmee Mondriaan beroemd werd, anderzijds sluit hij aan bij schilderijen als de Broadway Boogie Woogie en de Victory Boogie Woogie, werken waarin Mondriaan probeerde de jazz en het straatleven van die dagen te vangen. Een reeks schilderijen van Knoebel die niet op de tentoonstelling is te zien doet sterk denken aan die Mondriaanwerken maar draagt veelzeggende titels als 'Sympathy for the Devil' en 'European Son' - verwijzingen naar popmuziek in die in de jaren zestig even hip was als de boogie woogie in de jaren veertig.

Wat Imi Knoebel echter zelf aan deze spoedcursus kunstgeschiedenis heeft toe te voegen blijft lang onduidelijk. Neem zijn Sandwiches: blanke, houten platen die onbewerkt tegen de muur zijn geschroefd. Irritante ready-mades lijken het, maar pas als je er omheen loopt en naar de zijkant kijkt, zie je dat Knoebel vier lagen hout op elkaar heeft geschroefd en de tweede en de derde egaal groen, rood of blauw heeft geverfd - een bedriegertje, en niet eens erg leuk.

Het omgekeerde doet Knoebel in zijn Aluminiumbilder. Dit zijn springerige, veelkleurige metaalconstructies die bestaan uit aluminiumbalkjes, die over elkaar heen zijn gelegd als een bundel mikado. Het merkwaardige aan deze Aluminiumbilder is echter dat je ze juist alleen van voren moet bekijken, want aan de zijkant veroorzaken deze werken een diepe teleurstelling. Je ziet de schroeven die het aluminium verbinden, de druipers die van het metaal zijn afgelopen en een keer zelfs een stickertje dat het goede werk bij het goede titelbordje moet zoeken - slordigheid en desinteresse straalt het uit, alsof de zijkant niet belangrijk is als de kunstenaar dat zo uitkomt.

Uit dergelijk gerommel blijkt dan ook het probleem van Knoebel: zijn beelden wortelen in alles, behalve hemzelf. Hij heeft een interessant vraagstuk aangepakt, dat in een lange (modernistische) traditie staat, maar wie over zijn tentoonstelling loopt, krijgt het gevoel dat Knoebel daar zelf vrijwel niets aan toe te voegen heeft: die driedimensionaliteit is voornamelijk interessant voor kunstacademici en op Knoebels kleurerupties ben je snel uitgekeken.

Dit gevoel wordt nog versterkt doordat Knoebels werk op dit moment niet erg actueel meer is. Sterker nog, jonge kunstenaars, zoals de Engelsman David Powell die in een hoekje van de Knoebel-tentoonstelling een zaaltje heeft mogen inrichten, houden zich alleen maar met zichzelf bezig, met hun omgeving, hun leven en hun prullenbak, precies dat deel van de Beuys-erfenis dat Knoebel negeert. In de elf zalen van het Stedelijk overpeins je daardoor de problemen van Malevitsj, wiebel je op het ritme van Mondriaan, vraag je je af wanneer Frank Stella zijn aluminiumsculpturen ook alweer maakte, mijmer je over de vlakvullende schilderijen van Ellsworth Kelly en ril je bij de gedachte aan de krassende viool van de Velvet Underground. Imi Knoebel ben je dan al lang vergeten - verdwenen in zijn eigen woud van referenties.

    • Hans den Hartog Jager