Strijdpunten voor 2000

LINKS EN RECHTS in Nederland gaat over links of rechts langs Zoetermeer met de hogesnelheidslijn. De politieke meningsverschillen hebben tegenwoordig niet zozeer betrekking op sociaal-economische strijdpunten, maar op de mega-investeringen voor de infrastructuur van de toekomst. De brug naar de 21ste eeuw die het 'paarse' kabinet wil slaan, leidt tot grotere strubbelingen dan de laatste fase van de aanpassingen van de sociale zekerheid.

Vrij plotseling heeft zich deze omslag voorgedaan. Misschien lag het begin bij de WAO-crisis van 1991, waarbij het CDA en vooral de PvdA over hun eigen schaduwen heenstapten en de ernst erkenden van de uitwassen van de welvaartsstaat. Misschien was het de vorming van het sociaal-liberale kabinet in 1994, waarbij de christen-democraten, bij uitstek vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, aan de kant werden geschoven. Of misschien lag de basis in het regeerakkoord van het kabinet-Kok, waarin rust op het begrotingsfront werd verzekerd en de invoering van marktwerking in de sociale zekerheid werd afgesproken.

In ieder geval heeft dit kabinet zonder noemenswaardige politieke tegenwerking een begin gemaakt met enige liberalisatie van de arbeidsmarkt en met de privatisering van elementen van de sociale zekerheid. Het succes van het 'Nederlandse model' zoals het met verwondering in het buitenland genoemd wordt, is mede hierop gebaseerd. Ondanks meningsverschillen op onderdelen slagen PvdA, D66 en VVD er in om een afslanking van de verzorgingsstaat in harmonie gestalte te geven. Niet alleen binnen het kabinet, maar ook in het parlement. En, het moet gezegd, zonder obstructie van de sociale partners. De coöperatieve opstelling van de Nederlandse vakbeweging steekt schril af tegen de sociale protesten die zich in bijvoorbeeld Duitsland of Frankrijk afspelen.

ZO GEMAKKELIJK als de aanpassingen van de collectieve sector verlopen, zo lastig is het nog om de bocht te nemen bij de modernisering van de infrastructuur. Bij de bezuinigingsrondes van het afgelopen decennium zijn die sterk achtergebleven en nu is sprake van een inhaalslag. De dossiers zijn bekend - vliegveld Beek, uitbreiding van Schiphol, een tweede luchthaven, tracé HSL, Betuwelijn, wegenaanleg - en de materie is weerbarstig. De Kamerfracties van de coalitie zijn verdeeld. Grosso modo staan de PvdA en D66, met steun van GroenLinks, tegenover de VVD en oppositiepartij CDA.

Een kwart eeuw geleden, bij de aanleg van de Amsterdamse metro, waren de posities helder. De communisten waren voor bouwvakkers en dus voor de metro. Maar de CPN heeft opgehouden te bestaan, in GroenLinks overheerst niet het economisch determinisme maar het primaat van de ecologie. Bij de PvdA heeft zich eveneens een verschuiving naar het milieu voorgedaan, al valt de stelling te verdedigen dat het enthousiasme van Wim Kok voor infrastructurele investeringen is beïnvloed door zijn verleden bij de vakbeweging. Bouwen aan de infrastructuur symboliseert het socialisme van hijskranen, bulldozers en vrachtauto's, van werk-werk-werk en van een overheid die (ruimtelijk) ordenend optreedt.

Politieke begrippen hebben hierdoor hun oude lading verloren en een nieuwe betekenis gekregen. Behoudend staat nu voor milieubehoud en vooruitstrevend voor de snelheid van de TGV. Géén nachtvluchten (op Beek), géén uitbreiding (van Schiphol), géén ondertunneling van het Groene hart (voor de HSL) zijn conserverende standpunten van zich overigens progressief noemende partijen.

DE BEZWAREN ZIJN ingegeven door de gerechtvaardigde zorg om het welzijn van de bewoners en het milieu in een dichtbevolkt gebied met een hoog ontwikkelde economie en een comparatief voordeel in distributie en transport. Anders dan bij de sociaal-economische tegenstellingen liggen er aan infrastructurele meningsverschillen nauwelijks ideologische conflicten ten grondslag. De partij voor de nulgroei heeft geen grote politieke aanhang, het gaat steeds vaker over de belangen van de achtertuin. Dat maakt het mogelijk om met nieuwe technieken en met geld - mede beschikbaar door de verschuivingen van prioriteiten van sociale zekerheid naar infrastructuur - veel problemen op te lossen. Zoals ook blijkt uit de dure compromisvoorstellen waarmee het kabinet bij ieder nieuw knelpunt komt.