Samuel Huntington schetst scenario voor mondiale cultuurstrijd; Coca Cola is geen vredesdrank

De modernisering lijkt de hele wereld te omspannen. Bijna overal wordt cola gedronken, een spijkerbroek gedragen en MTV gekeken. Maar daarmee worden de consumenten in Azië, Rusland of Afrika nog geen Amerikanen. Integendeel. Volgens de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington bijten samenlevingen die in hoog tempo moderniseren zich juist vast in hun culturele eigenheid. Deze paradoxale introspectie zal leiden tot een cultuurstrijd, waarop het Westen na de Koude Oorlog geen antwoord heeft.

Samuel P. Huntington: The Clash of Civilizations and the Remaking of the World Order. Simon & Schuster, 368 blz. ƒ 51,20

Het kompas werkt niet meer, er lijken storm en regen op komst en we zijn de weg kwijt. Bij iedere twee-, drie- of viersprong begint iedereen door elkaar te roepen: links!, rechts!, rechtdoor!, terug! Na lang aarzelen hakt de aanvoerder dan de knoop door. Er zit meestal geen herkenbaar patroon in zijn beslissingen. Elk geval beoordeelt hij - zo verklaart hij zijn beleid - op zijn eigen merites. Wat zou een kaart een uitkomst bieden, al was het maar een grove schets.

De internationale politiek is sinds het einde van de Koude Oorlog de weg kwijt. Vier decennia lang functioneerde de rivaliteit van de twee supermachten als een betrouwbaar kompas dat bij problemen de weg wees. Maar nu lijkt de enig overgebleven supermacht en leider van de Westerse wereld zonder duidelijk plan van crisis naar crisis te hollen.

De vooraanstaande Amerikaanse politicoloog Samuel P. Huntington heeft een 'kaart' getekend om de wereld weer begrijpelijk te maken: zijn recente boek The Clash of Civilizations and the Remaking of the World Order. Het is, zoals iedere kaart, een schematische en versimpelde weergave van de werkelijkheid. Maar het is ook een fascinerende en gedurfde poging om orde aan te brengen in het chaotische nieuwe tijdperk dat is aangebroken na de val van de Muur en de ontmanteling van de Sovjet-Unie. Het is een alomvattend handboek voor oorlog en vrede in de 21ste eeuw, al moet de bruikbaarheid ervan nog worden aangetoond.

Arrogantie

Huntington, die een groot aantal boeken op zijn naam heeft staan (zoals het uit 1972 daterende Political order in changing societies en het negentien jaar later verschenen The third wave, democratization in the late 20th century) en die onder president Carter directeur planning was in de Nationale Veiligheidsraad, schrikt er niet voor terug om zijn nek uit te steken. Drie jaar geleden maakte de politicoloog uit Harvard korte metten met de theorie dat na de ineenstorting van het communisme overal op aarde de Westerse liberale democratie omarmd zou worden. In plaats daarvan, betoogde hij in een veelbesproken artikel in het tijdschrift Foreign Affairs, zal het internationale politieke toneel gedomineerd worden door gewelddadige botsingen tussen verschillende culturen.

In het boek dat nu is verschenen, werkt hij die stelling niet alleen verder uit, hij doet er ook nog een schepje boven op. 'Het beeld van een universeel Westerse wereld in opkomst is misplaatst, arrogant, onjuist en gevaarlijk', schrijft hij. Westerse politici, en vooral de Verenigde Staten, waarschuwt hij dat ze niet ongestraft voorbij kunnen gaan aan de grote weerstand die er juist in veel delen van de wereld tegen het Westen is ontstaan. De tweestrijd tussen de supermachten heeft plaatsgemaakt voor de botsing tussen verschillende beschavingen, stelt Huntington, en in veel gevallen zal dat neerkomen op: het Westen tegen de rest.

Oppervlakkig gezien lijkt het wereldwijde enthousiasme voor de Amerikaanse consumptie- en amusementscultuur de verschillen tussen beschavingen te elimineren en een universele cultuur dichterbij te brengen. Michael Jackson is een idool in Bangkok, McDonalds zit in Moskou en de Indiase jeugd kijkt naar MTV. Maar Huntington gelooft niets van die redenering. 'Russen die Coca Cola drinken gaan niet als Amerikanen denken, netzomin als Amerikanen die sushi eten als Japanners gaan denken. De essentie van de Westerse beschaving is de Magna Charta, niet de Magna Mac.'

Ook wijst hij resoluut de opvatting van de hand dat de wereld verwestert door de industrialisering, de alfabetisering, de verstedelijking, kortom de modernisering van het maatschappelijk leven die zich bijna overal voltrekt. Niet-westerse landen kunnen zich heel goed economisch ontwikkelen zonder hun eigen cultuur op te geven, stelt hij. Modernisering gaat in veel niet-Westerse landen juist samen met een herwaardering van de eigen, traditionele cultuur en met de verwerping van Westerse normen en waarden. De wereld wordt steeds moderner, maar tegelijk ook steeds minder Westers.

In de wereld volgens Huntington zien staten en volken hun belangen bovenal in termen van hun culturele identiteit. Een staat, of een deel van een staat, behoort tot een bepaalde cultuur en laat daar zijn politiek in de internationale arena voor een groot deel door bepalen. Alleen door het belang van de grote beschavingen te onderkennen valt te begrijpen hoe de internationale verhoudingen na de Koude Oorlog zich ontwikkelen. Na het wegvallen van de ideologische kampen biedt de cultuur het beste houvast, met godsdienst en taal als belangrijkste ingrediënten. Baseerden staten hun optreden vroeger op de vraag: aan welke kant staan we? Nu is de vraag: Wie zijn we?

De sterkste politieke en militaire allianties zullen dan ook ontstaan binnen beschavingen, aldus Huntington. Terwijl oorlogen zich vooral zullen voordoen tussen groepen van verschillende culturen. 'Volken en landen met dezelfde cultuur groeien naar elkaar toe. Volken en landen met verschillende culturen vallen uiteen.' En alleen door de culturele verschillen en verwantschappen in het politieke krachtenveld in acht te nemen zijn er oplossingen voor internationale conflicten te bereiken.

Als voorbeeld van zijn theorie bagatelliseert Huntington de verwachting van zijn collega John J. Mearsheimer, uit Chicago, dat een oorlog zal uitbreken tussen Rusland en de Oekraïne. De nauwe culturele, persoonlijke en historische banden tussen de twee landen maken die kans niet groot, stelt Huntington. De kritieke breuklijn loopt ook niet langs de Russisch-Oekraïense grens, maar tussen het oosten van de Oekraïne dat orthodox is, en het westen waar een 'geünieerde' kerk de suprematie van de paus erkent. Het uiteenvallen van de Oekraïne is daarom waarschijnlijker dan een confrontatie van het land met Rusland, luidt zijn conclusie.

Wijkende suprematie

Op de gecompliceerde politieke wereldkaart van de nieuwe tijd onderscheidt Huntington zo'n acht grote beschavingen, al erkent hij dat over het precieze aantal te twisten valt en dat de grenzen niet altijd nauwkeurig zijn aan te geven. De confucianistische beschaving (China, de verwante culturen in Vietnam en Korea, en Chinese gemeenschappen elders in Zuid-Oost Azië) en de islamitische beschaving ziet hij als de twee voornaamste rivalen van het Westen. Het zijn tegelijk ook de delen van de wereld waar het Westen het minste gehoor vindt met pleidooien voor democratisering en mensenrechten.

Daarnaast onderscheidt hij de Japanse, Hindoe, Latijnsamerikaanse, Christelijk orthodoxe en, met enige reserve over de vraag of Afrika werkelijk één gemeenschappelijke cultuur heeft, de Afrikaanse beschaving.

De suprematie van het Westen is nog niet voorbij, erkent Huntington, en zal nog wel een goed eind tot in de volgende eeuw voortduren. Maar de hoop dat onze waarden zullen worden overgenomen door de rest van de wereld kunnen we maar beter opgeven. Waarden die wij als universeel opvatten en in het belang van alle landen - zoals bevordering van democratie en mensenrechten, en beëindiging van de proliferatie van kernwapens - worden in veel niet-Westerse landen gezien als typisch Westers cultuurgoed, of zelfs als instrumenten van Westers imperialisme. Door die waarden toch hardnekkig te blijven uitdragen, irriteert het Westen landen met andere culturen. Het kost hen doorgaans weinig moeite om voorbeelden te vinden van gevallen waarin Westerse landen hun eigen beginselen zonodig aan de kant schoven: democratie is goed, zolang er maar geen fundamentalisten aan de macht komen; verspreiding van kernwapens is slecht, tenzij het om Israel gaat.

Het centrale probleem tussen het Westen en de rest, schrijft Huntington, is de discrepantie tussen de zendingsdrift van het Westen om zijn cultuur uit te dragen, en het afnemende succes daarvan. Vooral de Aziatische landen en de islamitische beschaving zijn overtuigd van de superioriteit van hun eigen cultuur. De macht van de Westerse beschaving zien ze wel, stelt Huntington, maar ze beseffen ook dat het Westen zijn vooraanstaande positie in de wereld niet zozeer dankt aan zijn culturele waarden of zijn geloof, als wel aan de enorme voorsprong die het had, en nog heeft, 'bij de toepassing van georganiseerd geweld. In het Westen wordt dat nog al eens vergeten'.

Als getuige roept Huntington meer malen Lee Kuan Yew aan, de dictator van Singapore. Die autoritaire heerser is bij uitstek een vertegenwoordiger van een cultuur die sterk gemoderniseerd is, maar zaken als mensenrechten en democratisering buiten de deur heeft weten te houden. Een betere illustratie bij Huntingtons optiek is nauwelijks denkbaar. Maar betwijfeld mag worden of hij een betrouwbare en objectieve zegsman is om te verwoorden of de Aziaten, of de inwoners van Singapore, al dan niet geïnteresseerd zijn in democratie, persvrijheid en een rechtsstaat.

Het geval-Singapore en het dulden van de dictator wijst ook op een ander probleem van Huntingtons opvatting dat het Westen zijn zendingsdrift maar moet opgeven. Het idee komt neer op cultuurrelativisme in de internationale politiek. Uiteindelijk brengt dat met zich mee dat landen van verschillende culturen zich maar niet met elkaar moeten bemoeien. De consequentie daarvan is bijvoorbeeld dat het Westen China in zijn eigen culturele achtertuin in Oost-Azië maar zijn gang moet laten gaan, wat het ook uitspookt.

Huntington gaat die onaangename waarheid niet uit de weg. Het grootste gevaar in het komende tijdperk, stelt hij, is dat een conflict binnen een beschaving uitmondt in een oorlog tussen de voornaamste staten ('kernstaten') van twee verschillende beschavingen. 'Om dergelijke grote oorlogen te voorkomen, moeten kernstaten zich ervan onthouden om tussenbeide te komen in conflicten in een andere beschaving.' Huntington noemt dit de 'onthoudingsregel - de eerste vereiste voor vrede in een multipolaire wereld van verschillende beschavingen'. Vooral de Verenigde Staten, zegt hij er meteen bij, zullen het moeilijk vinden om zich bij die regel neer te leggen.

Om te laten zien dat zijn betoog geen theoretische exercitie is maar een op de praktijk van de buitenlandse politiek gerichte handleiding, werkt hij het scenario van een conflict tussen China en de Verenigde Staten maar alvast uit. Amerika moet zich afvragen, stelt hij, hoe het zal reageren als China zijn hegemonie in Oost-Azië gaat uitbreiden. Zullen de Amerikanen het machtsevenwicht willen herstellen en bereid zijn Chinese veroveringen te voorkomen of ongedaan te maken? Is het wel in het Amerikaanse belang om met China in oorlog te komen over de machtsbalans in Azië?

Of zijn de Amerikanen niet bereid daarover met China een oorlog aan te gaan? In dat geval zullen ze hun geloof in een universele beschaving volgens Westers model moeten opgeven, en moeten accepteren dat China binnen zijn eigen cultuur, en wellicht ook daarbuiten, heer en meester is. 'Het grootste gevaar is echter dat de Verenigde Staten geen duidelijke keuze zullen maken en een oorlog met China binnenstruikelen - zonder zorgvuldig afgewogen te hebben of dat in het nationale belang is, en zonder goed voorbereid te zijn om een dergelijke oorlog effectief te voeren'.

Oorlog

In drie bladzijden tegen het eind van zijn boek beschrijft Huntington hoe zo'n oorlog in het jaar 2010 zou kunnen ontbranden en escaleren, beginnend met de Chinese marine die de hele Zuid-Chinese zee, inclusief rijke oliereserves, onder haar controle brengt. Vietnam verzet zich daartegen, wordt door het Chinese leger binnengevallen en doet een beroep op Amerikaanse hulp. De Amerikanen sturen een vliegdekschip, waar Peking raketten op afvuurt. India maakt er ondertussen gebruik van dat China's aandacht elders is, en valt Pakistan aan, om het nucleaire potentieel van dat land te vernietigen.

Daarmee is de islamitische beschaving in het spel gebracht, en het duurt in Huntingtons spiegelgevecht niet lang meer voor de Verenigde Staten, Europa, Rusland en India in een wereldoorlog gewikkeld zijn met China, Japan en het grootste deel van de islamitische wereld.

Winnaars van een dergelijke strijd kunnen alleen de culturen zijn die zich afzijdig houden, stelt Huntington. Wil de Westerse beschaving overleven, met haar unieke - en niet universele - combinatie van waarden en ideeën, dan moet zij zich onthouden van zo'n krachtmeting met onstuitbaar opkomende culturen als de islamitische en de Chinese. De beste bescherming tegen het soort wereldoorlog dat een botsing der beschavingen zou veroorzaken, is gelegen in het respecteren van die nieuwe internationale orde van culturen, besluit Huntington zijn boek.

Het is moeilijk voorstelbaar dat de man die dat schrijft ooit gewerkt heeft voor Jimmy Carter, die nog altijd met zijn idealen de boer op gaat in conflictgebieden overal ter wereld. Met onverholen spot schrijft Huntington over 'de internationale monoculturalisten, die de wereld er net zo uit willen laten zien als Amerika'. In zijn ogen doen die in verachtelijkheid nauwelijks onder voor 'de nationale multiculturalisten, die Amerika er net zo uit willen laten zien als de wereld'.

Omdat Huntingtons uitgangspunt is dat cultuur in het tijdperk na de Koude Oorlog van levensbelang is - het bepaalt immers de verhoudingen in de internationale politiek - is hij fel gekant tegen alles wat afbreuk kan doen aan de kracht en eenheid van de Westerse beschaving. Maar is de rol van cultuur werkelijk zo groot als hij beweert? Laten staten zich in het internationale machtsspel werkelijk zozeer leiden door de beschaving waar ze toe behoren? De Bosnische oorlog, waar het Westen uiteindelijk na lang aarzelen toch de moslims te hulp kwam, suggereert dat het soms anders ligt.

    • Juurd Eijsvoogel