Reve onder de hamer

De boeken- en manuscriptenveiling van Bubb Kuyper zal aanstaande dinsdag noodgedwongen uitwijken naar het gebouw van de Haarlemse Vrijmetselaarsloge, in de nabijgelegen Ripperdastraat.

In het achttiende-eeuwse regentenhuis van het Hofje van Staats, waar het veilinghuis sinds 1986 gevestigd is, zou het te vol kunnen worden. Voor wat inmiddels de 'veiling van de eeuw' is gaan heten, heeft zich een record aantal belangstellenden aangemeld, vier of vijf televisieploegen komen opnames maken Als alles gaat zoals wordt voorzien, en veilingmeester Kuyper niet te lang bezig is met het veilen van de brieven en documenten van Wim Kan, moet dinsdagavond omstreeks half negen bekend zijn wie zich voortaan de eigenaar mag noemen van het manuscript van Gerard Reves De Avonden. Dat kan het Letterkundig Museum zijn, dat waarschijnlijk de beste garanties biedt voor onafhankelijke wetenschappelijke onderzoekers, het kan één of andere Amerikaanse universiteit zijn waar de laatste jaren steeds meer belangstelling voor archieven op het gebied van de Europese cultuur bestaat, een rijke mecenas die het belangeloos aan een staatsinstelling schenkt, of het kan een consortium van bewonderaars zijn dat het boek op zijn jaarlijkse oudjaarsetentje wil laten rondgaan.

Voor Bubb Kuyper is de uitkomst een open zaak, evenals het bedrag dat dinsdagavond over tafel zal gaan. Hij heeft natuurlijk ook geruchten gehoord, maar, zegt hij, “als er iets is wat mij niet wordt verteld, is het wel wie iets bij mij wil kopen”. In de inleiding van de fraai geïllustreerde catalogus voorspelt Gerard Reve met zijn zienersblik: 'Het zoude mij niet verbazen als het manuscript naar degene gaat die het hoogste bod heeft gedaan.'

Omdat er in Nederland nog nooit een zo belangrijk stuk op het gebied van de literatuur is geveild, is de markt volgens Kuyper volstrekt onvoorspelbaar. In overleg met de verkoper, Reves levensgezel Joop Schafthuizen, heeft hij een minimum bedrag van 160.000 gulden vastgesteld. Dat moet het manuscript in ieder geval opbrengen. Maar òf en hoever de koopprijs daar boven uitkomt, durft hij niet te zeggen. Zijn enige houvast zijn enkele recente veilingen van manuscripten van minder fameus Nederlands werk. Erik of het klein insectenboek van Bomans, opgeschreven in zes of zeven schoolschriftjes, bracht ooit 26.000 gulden op, een pak manuscripten van Lucebert kwam op 42.000 gulden, en het record staat op dit moment op 116.000 gulden, voor de manuscripten van een paar honderd gedichten van Gerrit Achterberg.

Kuyper weet uit ervaring dat er maar één kapitaalkrachtige liefhebber of stunter hoeft te zijn om dit soort bedragen op losse schroeven te zetten. Hij vertelt hoe een plotseling opgedoken collectie brieven van de jeugdige prinses Juliana werd aangeschaft door een makelaar uit Lisse die zo - gewild of ongewild - veel publiciteit voor zijn makelaardij kocht. Hij haalde de televisie, bijna alle radiozenders plùs de voorpagina's van de landelijke dagbladen. “Wat denk je dat alleen al een advertentie op de voorpagina van De Telegraaf kost? Hij heeft zijn aankoop waarschijnlijk van de belasting kunnen aftrekken.”

Voor de 50-jarige Bubb Kuyper die vorige week met een feestbundel het tweede lustrum van zijn veilinghuis vierde, is het veilen van oude boeken en prenten een late roeping. Dat hij er in zo korte tijd in slaagde een reputatie op dit gebied te verwerven, mag dan ook een klein wonder heten. Veilinghuizen lijken het per definitie te moeten hebben van gezag en traditie.

In de feestbundel Waardevol oud papier, beschrijft Nop Maas hoe de neerlandicus Bubb Kuyper tot tien jaar geleden nog een antiquariaat in de Kleine Houtstraat had. Vanaf zijn kinderjaren moet Kuyper al een gedreven verzamelaar van drukwerk zijn geweest. Als kind van de directeur van het 'Zandvoortse sufferdje' groeide hij op met 'de geur van lood'. De voddenboer in Zandvoort had de gewoonte alles wat op een boek leek voor hem opzij te leggen, in de wetenschap dat hij er van hem een dubbeltje voor kreeg.

In het Haarlemse antiquariaat ontdekte Kuyper wat boeken echt waard kunnen zijn. Tegelijkertijd leerde hij er het Nederlandse veilingwezen kennen. Dat intrigeerde hem zo, dat hij besloot naast zijn antiquariaat een eigen veilinghuis te beginnen. Als veilingmeester hoefde hij niet zoveel te investeren als in het antiquariaat, hij liep minder risico en wettelijke beperkingen voor het veilinghouderschap waren er niet. “Om een pot te verkopen heb je al een vergunning nodig, maar de handel in bedrukt papier is, omdat het een grondrecht is, vrij.”

In de nieuwe roman van K. Schippers Poeder en wind wordt een cynisch beeld geschetst van een veilingmeester, die rijke erfgenamen een kostbare catalogus probeert aan te praten. Kuyper die het boek nog niet gelezen heeft, gelooft dat de werkelijkheid minder wreed is. Volgens hem gebeurt het maar zelden dat veilinghuizen of antiquaars overlijdensadvertenties uitknippen om te zien waar wat te halen valt, “dat is een fabeltje”, al geeft hij toe dat hij het voor een deel van andermans ellende moet hebben. “Overlijden, echtscheidingen, kleiner gaan wonen: de hele veiling leeft daarvan.”

Succes in het veilingwezen is volgens Kuyper afhankelijk van betrouwbaarheid, gedegenheid en naamsbekendheid. “Het verkopen is niet zo moeilijk. De grote kunst is om collecties binnen te krijgen. Hoe krijg je het voor elkaar dat de erven van een verzamelaar zeggen: alles moet naar Haarlem? Jouw naam moet in zo'n geval door hun hoofd schieten.” Kuyper besteedt veel aandacht aan het beschrijven van de aangeboden stukken in een catalogus. Als hij bij erfgenamen op huisbezoek gaat neemt hij altijd een paar van die catalogi mee. “Die zijn je visitekaartje.”

Eén van de antiquaren in de feestbundel betreurt dat er steeds meer particuliere verzamelaars op veilingen komen. Hij vreest dat dit ten koste van het antiquariaat gaat. Kuyper: “Vroeger, in de tijd van Frederik Muller, kwamen particulieren de veilingzaal niet eens in. Je werd bij de deur weggestuurd, met de boodschap dat je maar naar een antiquaar moest gaan.” Hij denkt dat er bij het grote publiek een andere houding tegenover veilingen is ontstaan. “Vroeger kocht je antiek of kunst bij een antiekzaak of een kunsthandel. Nu ga je ook naar veilingen. Dat heeft te maken met de toegenomen vrije tijd, mensen zijn mondiger geworden. Ze zijn ook aan bepaalde vrijheden gewend geraakt. Men vindt het spannend om mee te bieden. Het aardige van een veiling is dat de prijs nooit vast staat. Sommigen kunnen dan door een veilingkoorts worden bevangen. Soms slapen kopers er zelfs niet meer van.”

Voor Bubb Kuyper zelf is het eind van zijn leven als veilinghouder in zicht. Een paar jaar geleden heeft hij zijn medewerker Jeffrey Bosch (37) tot vennoot van het veilinghuis gemaakt, in de verwachting dat die hem tezijnertijd op zal volgen. Zelf wil hij dan volledig terugkeren naar waar hij ooit begon, het antiquariaat. “Een veilingmeester is altijd een tijdelijk beheerder, een makelaar. Hij moet zo hoog mogelijk scoren, maar dat doet hij voor zijn klant. Voor mij is het aantrekkelijkste om boeken te bezitten. En het geeft mij een kick wanneer ik daar dan ook nog aan verdienen kan. Het bevredigende van het antiquariaat is dat je het gevoel kunt hebben iets goed te hebben gezien en te weten dat dit helemaal je eigen verdienste is.”

    • Reinjan Mulder