Over Nederland kan ik niets onvriendelijks verzinnen; De buitenlandse directeuren van culturele instellingen

Steeds vaker kiezen culturele instellingen een buitenlander als directeur. Hoe denken zij over het vreemde land waarin ze moeten werken en wonen? Leren ze Nederlands? Pierre Audi, artistiek leider van De Nederlandse Opera, communiceert na acht jaar nog steeds in het Engels met zijn medewerkers, al zegt hij ook goed Nederlands te kunnen verstaan. “Maar ik ben too shy om het te spreken.”

In de huiskamer van Kristin Feireiss staan twee beelden uit Burkino Faso, een man en een vrouw, beide ongeveer anderhalve meter hoog. “Dat is mijn Ersatzfamilie”, zegt de Duitse directeur van het Nederlands Architectuur instituut (NAi) in Rotterdam. “Ik heb ze toen ik een half jaar geleden hier naartoe kwam gekocht, zodat ik me niet zo alleen voel.”

In het begin had ze soms heimwee, zegt ze. “Op mijn werk was ik de hele dag aan het praten, maar als ik 's avonds thuis kwam, was er niemand om iets tegen te zeggen.” De ene keer dat ze 'thuis' zegt, bedoelt ze haar Rotterdamse appartement, in het door Meccano ontworpen gebouw tegenover het NAi. De andere keer heeft ze het over Berlijn, waar ze ook een huis en twee galeries heeft. Feireiss: “Ik weet niet goed meer wat thuis is. Ik ben een beetje schizofreen geworden.”

Voor een buitenlander die naar Nederland verhuist om directeur van een instituut als het NAi te worden, is dat een hele stap. Maar voor Nederlandse musea is het tegenwoordig de gewoonste zaak van de wereld om iemand van over de landsgrenzen als leidinggevende aan te stellen. Geen bestuur of selectiecommissie beperkt zich bij het zoeken naar een kandidaat-directeur nog tot Nederland.

Negatieve reacties op het feit dat ze als buitenlander leiding geeft aan een Nederlands instituut heeft Feireiss (53) nog niet gekregen, al had ze daar vooraf wel rekening mee gehouden. “De eerste tentoonstelling die ik moest openen ging over architectuur uit de jaren vijftig en zestig. Ik ben niet blind. Die gebouwen hadden er zonder Duitse bommen niet gestaan.”

Feireiss wil dat het NAi meer gaat samenwerken met andere culturele instellingen in Rotterdam. Ze wisselt dan ook regelmatig ervaringen en ideeën uit met twee andere buitenlandse bestuurders die sinds kort in de stad werkzaam zijn: Simon Field, de nieuwe Engelse directeur van het Film Festival Rotterdam en Bartomeu Marí, de Spaanse directeur van het centrum voor hedendaagse kunst Witte de With, die in die functie een jaar geleden de Belg Chris Dercon (inmiddels directeur van Museum Boijmans Van Beuningen) opvolgde.

Ook in Amsterdam heeft zich de afgelopen jaren een kolonie van buitenlandse bestuurders gevestigd. Het Nederlands Vormgevingsinstituut wordt geleid door de Engelsman John Thackara, De Nederlands Opera door Pierre Audi (geboren in Libanon, opgegroeid in Frankrijk en daarna lange tijd in Engeland werkzaam) en het Theater Instituut Nederland door Dragan Klaic uit het voormalige Joegoslavië. Vorige maand voegde de Engelsman John Leigton zich als directeur van het Van Gogh Museum bij dit gezelschap. “In veel landen is dat niet mogelijk”, zegt Dragan Klaic, “een buitenlander als directeur van een nationaal instituut. Volgens mij kan het hier wel omdat Nederlanders hoge aspiraties hebben en met open ogen kijken.” Klaic (46), oud-hoogleraar, dramaturg en theatercriticus, denkt dat hijzelf ondere andere is verkozen om zijn goede contacten in de Europese theaterwereld. “Alles wat ik doe is in hoge mate gebaseerd op mijn adresboekje.”

Euthanasiebeleid

En 'Holland promotion' kan de buitenlandse directeuren worden toevertrouwd, zo blijkt. Ze laten zich in lovender bewoordingen uit over het land waar zij werken, dan menig Nederlander dat ooit zou durven doen. “Nederland is een geweldig land”, vindt Pierre Audi (39), die acht jaar geleden hierheen verhuisde en daarvoor nog nooit in Nederland geweest was. “Het heeft een heel rijke cultuur en een in de wereld bijzondere verzameling musea. Er was hier veel te ontdekken. Nederlanders zijn nieuwsgierig en bereid om risico's te nemen. In Amerika of Engeland moet je in een functie als deze veel meer compromissen sluiten.” Audi heeft het in Nederland zelfs zozeer naar zijn zin, dat hij overweegt hier de rest van zijn leven te blijven.

“Nederland”, zegt Kristin Feireiss, “is buiten Duitsland het enige land waar ik zou kunnen leven. Ik kan niks onvriendelijks over dit land verzinnen.” Ze roemt het Nederlandse euthanasiebeleid. “En het feit dat gehandicapten de kosten voor een prostituée vergoed krijgen door het ziekenfonds. Daaruit blijkt dat Nederland een heel sociaal land is. Het heeft niks met architectuur te maken, maar het is ongelooflijk goed dat zoiets mogelijk gemaakt wordt.”

Volgens de buitenlandse directeuren beseffen Nederlanders echter onvoldoende hoe bevoorrecht ze zijn. “Nederland heeft een bijzonder rijk theaterleven”, meent Klaic. “Vorig jaar gingen er 860 nieuwe produkties in première - ik voel me permanent schuldig dat ik daar maar een klein deel van zie. De Nederlandse burger is, ook als hij in een kleine stad woont, heel goed af. Daarom begrijp ik niet waarom de meeste Nederlanders onverschillig staan tegenover theater. Ook mensen die geen cultuurbarbaar zijn, die boeken kopen en een museumjaarkaart, hebben hier iets van 'theater, dat is niks voor mij'. In het buitenland heeft toneel een veel hogere status.” Kristin Feireiss heeft de afgelopen maanden geworsteld met de vraag waarom Nederlanders niet met veel meer trots naar het NAi kijken: “Ik dacht namelijk toen ik hier als buitenstaander kwam, dat ze dat zouden doen. Het is immers het grootste architectuurmuseum en het grootste architectuurarchief van Europa, van de wereld misschien.” Haar voorlopige conclusie: “Nederlanders houden meer van understatements dan van grote gebaren. In Frankrijk is architectuur een uitdrukking van politieke macht. De Grands Projects van Mitterrand illustreren de macht van de president. In Nederland is het precies het tegenovergestelde: architectuur heeft hier niets met macht te maken. Dat is misschien het probleem van het NAi. Het gebouw weerspiegelt niet de mentaliteit van het land. Het is groot, volumineus. Had het er bescheidener uitgezien, dan was de acceptatie wellicht groter geweest.”

Dragan Klaic (“Ik ben heel blij Amsterdammer te zijn”) doet niet graag uitspraken over de Nederlandse volksaard: “Ik wil geen stereotypen bevestigen.” Klaic besloot eind 1991 dat hij weg wilde uit Joegoslavïe. “Het was toen duidelijk dat er een bloedig conflict zou ontstaan. Ik heb mensen in mijn netwerk laten weten dat ik weg wilde en toen ben ik gepolst voor deze functie.”

De andere buitenlandse directeuren in Nederlandse dienst hoefden niet zo nodig weg uit eigen land. “Ik was heel gelukkig in Berlijn”, zegt Feireiss bijvoorbeeld. Een jaar geleden werd ze door het bestuur van het NAi - met daarin onder andere Ben van Berkel, die dankzij exposities in haar Berlijnse galeries meer naamsbekend in Duitsland had gekregen - gevraagd directeur te worden in Rotterdam. “Het was meteen duidelijk dat ik geen nee zou kunnen zeggen. Ik heb niet nagedacht over de beslissing, alleen over hoe ik het allemaal zou moeten regelen.”

Bartomeu Marí (30), sinds een jaar directeur van Witte de With, werd benaderd door het bestuur van de Rotterdamse instelling nadat een aantal kunstenaars hem had aanbevolen. Zij kenden hem van zijn werk als conservator van de Fondation pour l' Architecture in Brussel en, later, van het Museum voor Moderne kunst in Valencia. Het bestuur vond hem uiteindelijk de beste van vijf kandidaten. Marí daarover: “Benoemingen verlopen in Nederland volgens een zeer verfijnd proces, heel anders dan in Spanje. Daar worden alle benoemingen gedomineerd door de politiek partij die op dat moment aan de macht is. Komt er een andere regering, dan worden de directeuren van veel culturele instellingen vervangen. Dat is recent gebeurd. Daarom had ik het in Valencia niet naar mijn zin, want ik werd daar niet gewaardeerd als professional. Hier vroeg men mij meteen naar mijn ideeën.”

Marí is ook positief over de wijze waarop cultuur in Nederland gesubsidieerd wordt. “Zo'n kunstenplan eens in de vier jaar, dat is een heel uitgekiend systeem. In andere landen moet je elk jaar afwachten hoeveel geld je zult ontvangen. Als je hier iets krijgt, dan is het voor vier jaar. Dat is duidelijk. En het geeft rust. Je kunt projecten ontwikkelen voor de lange termijn.”

Fiets kopen

Marí's strategie om zich in te burgeren in Nederland zag er als volgt uit: “Nederlands leren, mensen ontmoeten (“om de stad een gezicht te geven”) en een fiets kopen.” De taal en de onbekendheid met de Nederlandse cultuur is vanzelfsprekend hèt probleem voor een buitenlandse directeur. Dat merkte Dragan Klaic kort na zijn aankomst in 1992, toen hij een praatje moest houden bij de opening van een tentoonstelling over Lurelei. “Deze expositie bewijst hoe jammer het is, dat er in Nederland geen cabaret meer is”, zei hij in zijn beste Engels. Inmiddels spreekt Klaic goed Nederlands (“dit is mijn achste taal”), al maakt hij nog regelmatig gebruik van woorden uit een van de zeven andere talen die hij daarvoor leerde, met name het Engels en het Duits. “In het begin”, zegt Klaic, “heb ik mijn collega's echt moeten dwingen om Nederlands tegen me te praten.” Pierre Audi communiceert na acht jaar nog steeds in het Engels met zijn medewerkers, al zegt hij ook goed Nederlands te kunnen verstaan. “Maar ik ben too shy om het te spreken.”

Richard Woolley (48), tot voor kort directeur van de Nederlandse Film en Televisie Academie in Amsterdam, woonde en werkte in de jaren zeventig enige tijd in Berlijn. Daardoor sprak hij alle Nederlandse woorden aanvankelijk uit met een zwaar Duits accent. “Zo ontdekte ik dat Nederlanders geobsedeerd zijn door Duitsers. Wanneer ik zei dat ik niet uit Duitsland kwam, maar uit Engeland, leek er altijd sprake van opluchting. Een keer, toen ik in een winkel in Amsterdam een jas stond te passen, zei de verkoper tegen mij 'u kunt beter een jas in Duitsland gaan kopen'. Knalrood werd de man, nadat ik had uitgelegd dat ik Engelsman was.”

Woolley's landgenoot Simon Field - ze studeerden zelfs met elkaar - die in juli begon als directeur van het Film Festival Rotterdam, krijgt volgende week zijn eerste Nederlandse les. “Mensen hebben al tegen me gezegd dat dat niet echt nodig is. Veel van het werk wordt toch in het Engels gedaan en de eerste de beste taxichauffeur spreekt hier goed Engels. Maar ik zie het toch als mijn verantwoordelijkheid om bijvoorbeeld de krant te kunnen lezen.”

En wie geen Nederlands spreekt, blijft een buitenstaander. Richard Woolley herinnert zich zijn eerste vergadering, vier jaar geleden: “Die moest ik leiden, in het Engels omdat ik nog geen Nederlands sprak. Op een gegeven moment begon iedereen aan tafel in het Nederlands met elkaar te overleggen. Ik begreep er niks van. Toen ze klaar waren nam één van hen het woord en zei: 'Richard, we think you are wrong'.”

Bijkomend nadeel voor een buitenlandse directeur die ingeburgerd wil raken is dat het werk vaak vereist dat hij of zij op reis gaat. Want 'internationalisering' staat bij ieder van hen hoog op de agenda. Zo zegt Kristin Feireiss over het NAi: “Als een klein land zo'n groot instituut heeft, dan heeft het de ambitie om niet alleen voor Nederland te werken.”

Van de vier maanden die Simon Field nu directeur van het Rotterdamse filmfestival is, verbleef hij de helft in het buitenland om andere festivals te bezoeken. Field: “Dat is nu eenmaal noodzakelijk. Ons publiek komt voor het grootste deel uit Rotterdam en de rest van Nederland, maar dat neemt niet weg dat we tegelijkertijd concurreren met de andere grote festivals in de wereld.” Tijd om Rotterdam te verkennen heeft Field daardoor nog niet gehad. “Ik weet de weg van mijn kantoor naar mijn appartement. En verder niet.”

Maar wat hij van de stad heeft gezien, bevalt hem. Ook het Pathétheater, de nieuwe megabioscoop op het Schouwburgplein. Field: “Ik ben hier vooral aangenomen vanwege mijn ervaring in Engeland als distributeur van independent movies, precies het tegenovergestelde van de Hollywood-produkties die er in dat nieuwe theater te zien zijn. Maar het doek en het geluid en de moderne karakter van het gebouw zijn fantastisch. Daarom verheug ik me op het festival: dan gaan wij het dat theater veroveren. Straks kun je een Afrikaanse film zien op het doek waar nu Independence Day wordt vertoond.”

Ook Bartomeu Marí moet vaak op reis voor zijn werk. En als hij in Nederland is, zit hij een groot deel van de dag met kunstenaars in het buitenland aan de telefoon, wat het leren van de Nederlandse taal bemoeilijkt. Marí: “Op één dag spreek ik vijf, zes talen. Wanneer ik in het Spaans of Catalaans praat, gebruik ik nu de Franse grammatica, en in het Engels heb ik nu de neiging de Nederlandse grammatica te gebruiken.” Nederlands leert Marí door de krant te lezen, naar de radio te luisteren en door naar de film te gaan. “Zo heb ik ook Engels geleerd: met behulp van ondertitels. Vreemd trouwens, die pauze in de bioscopen hier. Ik wist de eerste keer niet wat me overkwam.”

Literatuur

Richard Woolley leerde Nederlands door veel televisie te kijken. “Vooral reclames. Die zijn handig omdat ze steeds herhaald worden.” Nederlandse boeken heeft hij nauwelijks gelezen, alleen van Annie M.G. Schmidt toen hij hier net was. “Literatuur is niet de sterkste kant van Nederland”, meent Woolley. “Nederlanders zijn niet zulke verhalenvertellers. Dat heb ik ook gemerkt bij het geven van het vak scenarioschrijven. Studenten zijn hier heel goed in het visualiseren van een scène, ze weten precies welk licht ze moeten gebruiken. Maar een verhaal verzinnen, dat doen Engelse studenten veel sneller. Ik heb daar een theorie over. Volgens mij komt het omdat Nederland zo plat is. Er zit geen spanning is het landschap en dus zijn Nederlanders niet nieuwsgierig naar wat er achter de horizon te vinden is. Ze kunnen daarentegen heel goed kijken en details vastleggen.” Hij vertrekt over enkele weken voor twee jaar naar Hong Kong om daar een filmopleiding op te zetten. “Daarna kom ik terug om hier een film te regisseren. Want ik ben verliefd geworden op dit land.”

Is er dan echt niets wat Nederland tot een minder prettig land om in te werken maakt? Ja toch. Er is een Nederlandse karaktertrek die alle buitenlandse directeuren in hoge mate irriteert: onze vergadercultuur. Ook zij die nog nauwelijks Nederlands spreken, kennen deze woorden al: overleg, afstemming, draagvlak. “Ongelooflijk, zoveel als Nederlanders vergaderen”, zegt Kristin Feireiss, “Ik begrijp niet waar ze de tijd vandaan halen. En toch wordt er niet goed gediscussieerd, omdat men altijd aardig voor elkaar wil blijven.” Pierre Audi werd er gek van in het begin. “Nu ben ik er aan gewend geraakt”, zegt hij, “ik ben misschien een beetje vernederlands, maar acht jaar geleden zag ik niet wat het nut ervan was. Ik wilde niet praten, ik wilde actie.”

Waar wordt vergaderd, daar wordt genotuleerd. Bartomeu Marí: “Als iets niet op papier staat, dan bestaat het niet in Nederland.” Volgens Richard Woolley komt de Nederlandse drang tot vergaderen voort uit een behoefte om conflicten te vermijden en in harmonie beslissingen te nemen. “Maar ik heb geleerd dat je moet oppassen. Uren en uren wordt er in cirkels gepraat en net als je in slaap gesukkeld bent, wordt er in dertig seconden een belangrijke beslissing genomen. Is dat eenmaal gebeurd is, dan valt er niet meer aan te tornen.”

Misschien, zegt Woolley, is het grote aantal buitenlandse directeuren in Nederland een gevolg van datzelfde streven naar harmonie. “Het zijn vaak kleine wereldjes, waar een klein groepje mensen moet beslissen wie van hen een leidende functie krijgt. Ik me voorstellen dat je denkt: ik niet? Dan jij en jij ook niet. Dan maar liever een buitenlander.”