Opleuken

Tot de grootste eerzuchten van copywriters, journalisten, schrijvers en misschien ook dichters hoort het, een woord te scheppen dat zal 'wortel schieten in de taal.' Om een klassiek voorbeeld te noemen: bromfiets.

Hetwordt over het algemeen toegeschreven aan H.A.A.R. Knap, maar het vaderschap staat niet onomstotelijk vast. Nog zo één: nozem. Jan Vrijman maakt er aanspraak op; het wordt hem regelmatig nog betwist. Dat de eerzucht groot is wordt bewezen door de woordenboeken, kleine lexicons waarin de nieuwe woorden zijn verzameld. Het W.P.Woordenboek van 2000 neologismen onder redactie van dr. Riemer Reinsma, Jaartaal, de jaarlijkse verzameling van Frans van Lier, het gestaag uitdijend oeuvre van Ewoud Sanders, de regelmatig in boekvorm verschijnende bijdragen van Jan Kuitenbrouwer, en dan de talrijke min of meer specialistische lexicons. Ik vergeet er zeker een paar. Het is allemaal interessante lectuur, en bovendien zijn de woordenboeken waarin uitsluitend neologismen verzameld zijn ware kerkhoven van doodgeboren taalverrijking. Meestal trouwens, als je zo'n nieuw woord voor het eerst hoort, weet je wel dat het ook de laatste keer is geweest, wat dan (hoop je) aan het woord zal liggen.

Het afgelopen jaar ben ik een paar keer een woord tegengekomen dat er veelbelovend uitziet: opleuken. Eerst in de Volkskrant en afgelopen woensdag op de voorpagina van Het Parool, in de kop boven een bericht over bekende Nederlanders die ter viering van het een of ander het radionieuws voorlazen. Bekende Nederlanders die het terrein van de humor betreden betekent onheil. Ik heb niets van deze voorlezingen gehoord en ik kan er dus niet over meepraten. Maar opleuken: is misschien het ogenblik gekomen om vast te stellen dat het wortel heeft geschoten? Ik zocht in mijn verzameling lexicons. Het is nog nergens opgenomen; niet in het Nieuwlands van Frank Jansen en Hubert Roza (1995), en zelfs niet in het zojuist verschenen Hedenlands van Jan Kuitenbrouwer. Voor alle zekerheid deze lexicograaf toch opgebeld.

Hij noemt het wel, hoor ik, maar niet in een afzonderlijk lemma. Op pagina 63 tot en met 65 wordt het Jiskefets behandeld, de bijdragen tot de taal door de heren van dit programma. Het blijkt dat ze aanspraak maken op het auteurschap van het woord lullo. Daaruit is een rechtszaak voortgekomen die hier niet van belang is. Ook opleuken zou door Jiskefet zijn verzonnen. In Hedenlands verklaart Kuitenbrouwer dat hij het in 1989 al een paar keer in de Haagse Post heeft gebruikt. Als er al een auteurschap 'geclaimed' kan worden, dan is dat volgens zijn beste weten door de copywriter Eugène Roorda, in wiens brein het misschien al een jaar eerder zou zijn verschenen. Maar zeker is in zo'n geval niets. Kuitenbrouwer schaart opleuken onder de vondsten, de woorden die er opeens zijn, misschien door iemand verzonnen die niet de eerzucht van de scheppende taalkunstenaar heeft, misschien op meer plaatsen tegelijk bedacht,zoals het buskruit.

Ik heb het gevoel dat opleuken een langer leven zal zijn beschoren dan zoveel andere constructies die ik zonder een gooi naar beklijving ééndagsneologismen noem. Opleuken lijkt me levensvatbaar omdat er een verschijnsel mee wordt beschreven dat meer dan menig ander (computer, zaktelefoon) het leven in deze tijd kenmerkt. De opgeleuktheid is de barok van dit fin-de-siècle. Niets kan gewoon, alles moet met een geforceerde versiering. Teksten die op zichzelf goed genoeg zijn, worden onder de handen van de vormgever zo opgeleukt dat ze tot de helft 'ingekort' moeten worden. De gewone lach wordt op de televisie opgeleukt tot een opengesperde muil. Het nieuws is geen nieuws als het niet is opgeleukt met getetter en gongslagen. Wie in een voetbalwedstrijd 'scoort' leukt zijn vreugde op met een extase-gymnastiek die bovendien per seizoen verandert. Wat gisteren opgeleukt was, is vandaag weer afgeleukt. Het menu, programma op het beeldscherm van je computer: opgeleukt met 'ikoontjes'. Een staking: opgeleukt met petjes. Wie niet opleukt heeft de geest van de tijd gemist.

Het woord voorziet in een behoefte, maar het heeft één bezwaar: het is zelf wat het beschrijft. Opleuken maakt in al zijn doeltreffendheid de indruk, een opgeleukt woord te zijn. Er zit iets in waardoor je gaat twijfelen. Zal ik het gebruiken, of ga ik dan een opgeleukte indruk maken? Neem dus het zekere voor het onzekere en doe het niet.

    • H.J.A. Hofland