Niet te vermijden passie

Theo Verbeek: De Wereld van Descartes. Essays over Descartes en zijn tijdgenoten. Amsterdam University Press, 130 blz. ƒ 39,50

De eerste vrouw die in het cartesianisme een belofte zag was Prinses Elizabeth van de Pfalz, oudste dochter van Frederik II. Nadat de 'winterkoning' in 1620 zijn troon verloren had, was hij naar Den Haag gevlucht, waar Elizabeth na zijn dood zo goed en zo kwaad als het ging aan het Huis van Bohemen leiding gaf. Ze was een mooie vrouw met donker haar, lange wimpers, een fijne mond, prachtige tanden en een smalle neus. René Descartes had Elizabeth in 1643 persoonlijk ontmoet en voerde sindsdien met haar een correspondentie. Wanneer het bij een bezoek aan Den Haag niet tot een ontmoeting komt, schrijft Descartes over de prinses: 'Ik zou veel te bewonderen hebben gehad dat het verstand te boven gaat.'

Elizabeth las Descartes' Meditiones uit 1641 en bestudeerde de fysica van Regius. Om de nieuwe filosofie te verstaan, was een onbevooroordeeld gemoed en een gezond verstand voldoende en dat kwam goed uit, want naar de universiteit mochten vrouwen pas aan het eind van de negentiende eeuw. Descartes' vriendschap met de prinses wijst er nog eens op dat hij zich, na de vijandelijke filosofische bejegening van Voetius (Utrecht) en Revius (Leiden) van de academische wereld afkeerde en zich op een publiek van buitenstaanders begon te richten.

Het was balling Elizabeth die Descartes dwong zich uit te spreken over hartstocht en de verhouding van ziel en lichaam, zaken die hij tot dan toe uit de weg was gegaan. Pas in 1648 dacht Descartes deze problemen te hebben opgelost, maar zijn uitgangspunt formuleerde hij al in Traité de l'homme: voor zover hij niet bezield is, is de mens een machine. Alle menselijke functies met een mechanisch equivalent horen bij het lichaam, de rest schrijft Descartes toe aan de ziel. De ontdekking van de bloedsomloop in 1628 heeft zijn denken sterk beïnvloed.

Hartstochten zijn volgens Descartes toestanden die de ziel onvrijwillig ondergaat. Aan elke passie ligt een lichamelijk automatisme ten grondslag, welke processen de bewuste mens benoemt als droefheid, haat, liefde, enzovoort. Treden ze bij dieren slechts op in biologisch relevante situaties, bij de mens is dat niet nodig: we zijn ook bedroefd in niet-levensbedreigende situaties. Maar de fysiologische verschijnselen (trage pols, gevoel van beklemming rond het hart, een goede eetlust) verraden de oorsprong van de emotie. Dat de mens passies heeft, komt omdat God de machine met de ziel heeft verbonden om sneller en effectiever op situaties te kunnen reageren. De enige reden waarom we hartstochten hebben, is dat we geen machines zijn.

De Utrechtse filosoof en Descarteskenner Theo Verbeek (in 1977 publiceerde hij een vertaling van Discours de la méthode) heeft over de verhouding tussen lichaam en ziel bij Descartes een mooi, origineel essay geschreven. Het is opgenomen in de bundel De Wereld van Descartes, een zeer verzorgd en fraai geïllustreerd boekje dat ook ingaat op Descartes' verhouding tot Nederland, zijn (meta-)fysica en de twisten met Voetius en Revius. Het aardige van Verbeek is dat hij de filosofie heeft ingebed in een weergave van Descartes' persoonlijke omgang met de Nederlanders die op zijn weg kwamen en die hem steunden of kritiseerden. Die 'aardse' benadering geeft de essaybundel een levendig karakter, en te denken valt er genoeg.

    • Dirk van Delft