Licht en Vuur

Een paar dagen geleden werd ik gebeld door de dichter Arie Visser. Hij sprak met die vreemde stem van iemand die altijd verkouden is. Tegelijkertijd klinkt zijn stem ook altijd een beetje gejaagd, alsof hij wacht op iets dat te laat is.

“Heb je mijn laatste bundel gekregen?”, vroeg hij.

“Nog niet, maar ik zal even bij de post kijken”.

In de stapel nog open te maken post vond ik inderdaad een klein pakje, met daarin Arie's gedichten: Licht en Vuur.

“Ja, ik heb het hier. Ik zal ze lezen. Hoe gaat het trouwens met je?”

“Heel goed. Ik lig nu in bed. In het ziekenhuis. Ik heb leukemie en ik denk dat ik hier niet meer uitkom.”

“Oh”, zei ik wat sullig.

“Maar je hebt de gedichten?”.

“Ja, ik heb de gedichten.”

Hij hing op. Met de bundel nog in de hand stond ik bij de telefoon. Op een willekeurige pagina sloeg ik het open en las:

Ik was op weg naar het licht

Maar ik kwam uit bij ijskoud

vuur

Papaver kus waar ik voor zwicht

Dode maan om zoveel uur

Heimwee was de harpenaar

Op de blinde snaar van zinnen

En de hoogspanning op die

snaar

Schroeide al wat waar was dicht

Zo ging ik de vuurzee binnen

Badend in het zweet van licht

Ik dacht aan Arie in zijn ziekenhuisbed. In ieder geval hoefde hij nu niet meer over straat in zijn dagelijkse jacht om te scoren. Dat bestaan heeft hij beschreven in Het vangen van de draak, een korte roman over het leven van een junk. Daar staat een onvergetelijke scène in, die zich afspeelt in het huis van een manke dealer. Er wordt gebeld en een koortsige, broodmagere man - omschreven als 'het gratenpakhuis' - wordt door de vrouw van de dealer binnengelaten.

“Hallo”, zei de Manke. “Ben je nog niet dood, ouwe jongen?”

En dan staat er het kale zinnetje: “De aangesprokene keek sip”.

De scène gaat naar het hoogtepunt als de Manke voor het Gratenpakhuis een stuk of wat methadon-pillen uit zijn broekzak vist. Als het Gratenpakhuis met zijn kostbare schat verdwenen is, zegt de dealer tegen zijn gasten: “Sorry, mensen. Even een onderonsje. Altijd hetzelfde verhaal. Hij zegt dat hij kanker heeft. Volgens mij wordt hij ouder dan ik.”

Het vangen van de draak is een snerpend boekje, geschreven volgens de junkie-filosofie: God is dood en ik voel me ook al niet lekker. Toen het uitkwam, schijnt Arie nog op diezelfde dag zijn tien presentexemplaren bij de uitgever te hebben opgehaald om die naar Kok in de Oude Hoogstraat te brengen, zodat het eerder in het antiquariaat lag dan bij de boekhandel.

Maar misschien is dat een legende. Arie bezit een hoge mate van waardigheid, zelfs, en dat was vaak het geval, als hij geld nodig heeft. Een aantal jaren geleden verraste hij iedereen door een Marokkaanse vrouw te trouwen en moslim te worden. In die tijd kwam ik een keer bij hem thuis op zijn bovenwoning. Alles was nu keurig opgeruimd en Arie zat in een kleermakerszit op een mat. Eén opmerking is mij bijgebleven. “De rabbijnen hebben gelijk”, zei hij, “het huwelijksbed is de voorsmaak van de hemel”.

Niet veel later las ik nog een gedicht van hem:

Ik had een hond geslagen/ het dier vermande zich en zei/ jij kunt het niet verdragen/ dat iemand beter is dan jij.