Internationale voorleesdag; Een verhaal in honderd talen

'De ivoren deur' van Paul Biegel staat in 'Lees dit niet! En andere griezelverhalen'. Uitg. Lemniscaat.

De ivoren deur is diep beneden in het kasteel. Wat erachter zit weet niemand. Eén ding is zeker: wie door de ivoren deur stapt komt nooit meer terug. Prins Radboud doet het toch. Achter de deur is het pikdonker. Als de prins eindelijk ontsnapt denkt iedereen dat hij dood is. Niemand herkent hem, en hij mag het paleis niet meer in.

Het verhaal 'De ivoren deur' van Paul Biegel werd op zondag 17 november in een heleboel Nederlandse theaters voorgelezen aan kinderen. Dat gebeurde ter gelegenheid van het festival 'De kracht van cultuur', dat muziek, theater en dans uit verschillende culturen laat zien. Omdat er in Nederland kinderen wonen uit allerlei landen, is het verhaal speciaal voor de Voorleesdag vertaald in tien talen, zoals Farsi, de taal van Iran, Rifijns (Noord-Marokkaans) en Sranang Tongo (Surinaams). In het Amsterdamse Pleintheater werd het verhaal in het Nederlands en in gebarentaal verteld, ook een aparte taal, maar dan voor doven.

In het theater is het doodstil. Je hoort alleen de stem van Lies van de Wiel (25). Naast haar zit Angelique Kat (25). Zij vertelt het verhaal in gebarentaal. “Met gebaren erbij wordt alles echter”, zegt Julius (7) na afloop. Samen met zijn broer Solomon (8) is hij naar het Pleintheater gekomen om te luisteren. “Ik vond het verhaal heel eng, maar wat precies dat ben ik helemaal vergeten”, zegt Julius na afloop. Solomon vond het verhaal zielig. “De prins weet helemaal niet meer wie hij is en zo”, zegt Solomon. Wat zou de prins zijn gaan doen, nu niemand hem herkent? “Een gewoon mens worden maar”, denkt Julius.

Julius en Solomon kennen geen gebarentaal, zij kunnen wel horen. Tobias (8)spreekt alleen gebarentaal. Met zijn handen en met verschillende uitdrukkingen op zijn gezicht legt Tobias uit dat hij 'De ivoren deur' heel spannend vond. Vooral de donkere gang komt steeds terug in zijn verhaal.

Angelique Kat (25), de gebaren-vertaalster, vertelt dat ze zich thuis helemaal heeft ingeleefd in prins Radboud, om de vertaling zo goed mogelijk te maken. In het donkere theater had ze het gevoel alsof ze zelf de prins was, die door de tunnel kroop. “Ik ben tweetalig opgevoed”, zegt Angelique. “Thuis spraken we gebarentaal en op straat en op school Nederlands. Ik vond het heel gewoon eigenlijk. Gebarentaal is mijn moedertaal. Het is duidelijker en sneller om iets te zeggen met gebaren”, vindt Angelique.

Na afloop van het verhaal is het programma nog niet afgelopen. In een andere zaal gaan de kinderen knutselen. Daar kunnen ze lettermobiles maken. De juf legt uit hoe het moet. Op papier schrijf je een woord. Dan knip je het uit, in de vorm van het gebaar uit de gebarentaal dat bij het woord hoort. De uitgeknipte woorden worden met draadjes opgehangen aan twee stokjes met de vorm van een kruis. Zo maak je een mobiel voor in je kamer.

Tenminste, dat is de bedoeling. Maar de meeste kinderen zitten met hun gedachten nog bij Prins Radboud en zijn avonturen. Daarom maken ze monstermobiels. Tobias heeft een grote rode draak geknipt. Uit zijn bek komt vuur. Julius en Solomon maken een hele stoet oranje spookjes. Aan draadjes bengelen ze in de luncht. “Ik vind gebarentaal niet erg”, zegt Solomon, “maar ik hou meer van monsters.”