In duizend woorden

Het artikel 'Stijgende lijn' van Reinjan Mulder in de boekenbijlage van 15 november wierp een onthullend licht op de werkwijze van het Fonds voor de Letteren, waar de argumentatie voor weigering van een Werkbeursaanvrage naar beide zijden blijkt te kunnen worden gehanteerd.

Bij Daphne Meijer wilde het Fonds 'eerst het verdere verloop van haar schrijverschap afwachten', terwijl mij een Werkbeurs werd geweigerd omdat men - 'unaniem de kwaliteit en gevestigde staat van dienst erkennend' - 'de voorkeur gaf aan veelbelovende en beginnende auteurs'. Gejokt, dus!

Mijn aanvrage gold twee onderwerpen: een bundel poëzie en het persklaar maken en waar nodig becommentariëren van een jarenlange briefwisseling met Carmiggelt. Beide aanvragen werden geweigerd: de eerste omdat men 'twijfelde aan mijn mogelijkheid het plan te realiseren' (waarom zou je het anders voorleggen?), en de tweede alleen na het beantwoorden van een omvangrijke Fragenbogen, met onder andere: 'Gaat het om publicatie van een wederzijdse correspondentie of zijn het uitsluitend brieven die u van Carmiggelt heeft ontvangen?' (Het auteursrecht en publicatierecht daarvan ligt, zoals men bij het Fonds zou moeten weten, bij de erven Carmiggelt). 'Kunt u iets vertellen over de opzet en vorm van de correspondentie. Denkt u dat de correspondentie een nieuwe kijk geeft op Carmiggelt, m.a.w. heeft u de intentie de correspondentie een bepaalde meerwaarde te geven door bv. een specifieke keuze of door uitvoerige toelichtingen of beschouwingen?'

Ik heb deze vragen onbeantwoord gelaten, aangezien ik telefonisch aan mevrouw Dornseiffer al had laten weten dat de brieven geen enkele persoonlijke mededeling bevatten, maar uitsluitend literaire anekdotes over zaken waar we één van beiden getuige van waren geweest (lelijk gezegd: roddel dus) en soortgelijke verhalen, die voortkwamen uit een gedeelde handicap (ook weer in literair verband) op het onjuiste moment de onjuiste dingen te doen of te zeggen.

De betuttelende werkwijze van het Fonds, waaraan Daphne Meijer zich terecht zo ergert, past naadloos in het beleid-Nuis, dat onder anderen jonge kunstenaars wil dwingen 'marktgericht' te werken, terwijl aan de doorsnee verlangens tot kunstzinnige versiering van wanden of dressoir door bijvoorbeeld de firma Blokker ruimschoots tegemoetgekomen wordt.

In een telefonisch gevraagde toelichting opperde mevrouw Dornseiffer de mogelijkheid te overwegen voor het plan C 'een apart fondsje aan te spreken'. Desgevraagd bleek dit fondsje ongeveer 10.000 gulden groot te kunnen zijn, maar daar 'mocht ik dan ook drie jaar over doen'. Dat bijvoorbeeld een krantenwijk meer zou opleveren dan ongeveer 3.000 gulden per jaar ontlokte mevrouw D. de uitspraak 'dat er wel mensen van minder leefden'. Nu is dat helaas diep en diep waar, maar dan wel in een kartonnen doos onder een brug.

Ik schreef een en ander aan mijn uitgever Querido met de toevoeging dat een dergelijke Diakenhuismannetjes-constructie mij van verdere stappen - waarheen dan ook - zou weerhouden en in zijn antwoord van 22 mei liet hij weten 'binnenkort met Sylvia Dornseiffer te zullen bespreken wat het Fonds voor jou kan doen'. En - zonder enige ironie: 'Ik weet zeker dat het Fonds het niet slecht bedoelt allemaal'.

Bij Daphne Meijer 'wacht het Fonds met spanning af', bij mij is de spanning na meer dan twintig titels waarschijnlijk te groot gebleken, want na 22 mei is het aan alle kanten stil geworden. Net als Daphne Meijer zal ik me onthouden van volgende aanvragen, aangezien ik zeker weet dat ik - de pet eenmaal zó laag in de hand - die nooit meer recht op het hoofd zal kunnen krijgen.