Ik wil de friettenten omdraaien; Hans van Houwelingen over zijn geëngageerde kunst

Hij gaf een Utrechts wijk een plein en herstelde een vervallen woning in Mozambique. “Kunst kan meer betekenis krijgen als ze het museum verlaat,” zegt Hans van Houwelingen. Bij wijze van uitzondering exposeert hij in het Middelburgse kunstruimte de Vleeshal. Hij keert zich daar tegen de 'vertrutting' van het stadscentrum.

Hans van Houwelingen: Blik. Vleeshal, Markt, Middelburg. T/m 15 dec. Di t/m zo 13-17u.

In 1994 liet Hans van Houwelingen 45 grote bronzen hagedissen boven de grond komen in het Amsterdamse Kleine Gartmanplantsoen. In hetzelfde jaar liet hij zeven bronzen lammetjes grazen op een Perzisch tapijt van baksteen in de Utrechtse Rivierenwijk. In 1995 verbouwde hij een huis in Mozambique en nu, in 1996, laat hij een Zeeuws dorp overstromen en steekt hij de Markt van Middelburg in brand.

De eerste drie dingen gebeurden echt; ze zijn nog steeds te zien - de hagedissen raken in gesprek met dronkaards voor de Citybioscoop, tussen de lammetjes spelen leerlingen van de W.G. van der Hulstschool en in het Mozambikaanse huis woont Pedro Cossa, bewaker van een uit het koloniale tijdperk stammend kunstcentrum in Maputo. Alleen de vierde gebeurtenis is gespeeld. In expositieruimte de Vleeshal, deel van het Middelburgse stadhuis aan de Markt van die stad, hing Van Houwelingen drie grote foto's van wat buiten te zien is. Om de minuut schiet er een steekvlam uit de lijst die de foto's van de Markt in brand steekt. Op een tafel plakte hij grote luchtfoto van een Zeeuws dorp. Op de plaats van de zee staat een bak water. Een windmachine laat het water over de foto golven; het wordt opgevangen in twee zinken emmers. Ook elders in de laat-gothische Vleeshal plaatste Van Houwelingen ouderwetse teilen en emmers. In een badkuip worden films van Middelburg voor en na het bombardement van 17 mei 1940 geprojecteerd. Tijdens dat bombardement werd het historische centrum van de stad grotendeels verwoest. Al in de oorlog werd met het herstel begonnen. Het werk is nu af. In een toeristische gids wordt in het Engels, Frans, Duits, Italiaans en Spaans vermeld dat de stad er weer bij staat als in de 'gloriedagen van weleer'. Sinds kort staat bijna niets een visuele tijdreis meer in de weg: auto's mogen, tot ongenoegen van de plaatselijke middenstand, niet meer op de Markt parkeren.

In zijn kantoortje in een oud Amsterdams schoolgebouw vertelt Van Houwelingen (Harlingen, 1957) over zijn uitgevoerde en onuitgevoerde plannen. Met Berend Strik werkt Van Houwelingen al een paar jaar aan een opdracht van de Amsterdamse poptempel Paradiso. 22 Glas-in-lood-ramen moeten omstreeks het jaar 2005 in deze voormalige kerk de moderne moraal in beeld brengen. Het ontwerp voor het eerste raam is al af. Het toont een oudere zwangere vrouw in een met computerapparatuur bevolkt kantoor. Volgens Van Houwelingen is deze carrièrevrouw een hedendaagse Maria.

Sinds uw deelname aan de tentoonstelling 'Peiling' in Museum Boijmans Van Beuningen in 1993 heeft u vrijwel niet meer in musea en galeries geëxposeerd. Waarom niet?

“De beeldende kunst is in de twintigste eeuw een vrijplaats geworden. Alles kan en mag in het museum. De tentoonstelling Crap Shoot in De Appel in Amsterdam toonde dat dit voorjaar weer eens overtuigend aan. Voor deze tentoonstelling gooide de Zuid-Afrikaan Kendell Geers een baksteen door de ruit van het gebouw in de Spiegelstraat en stelde het resultaat als kunst tentoon. De Denen Jes Brink en Henrik Plenge Jakobsen ramden met toestemming van de directie het kantoortje in elkaar.

“In maatschappelijk opzicht zijn beeldend kunstenaars clowns geworden. Ze doen hun kunstje op een tentoonstelling waar niemand zich verder wat van aantrekt. Ik denk dat er spannender dingen te doen zijn. Kunst kan vaak meer betekenis krijgen als ze het museum verlaat. Ze moet zich weer inlaten met de politiek. Als kunstenaar wil ik beslissingen nemen, verantwoordelijkheid dragen. Een kunstenaar kan de wereld misschien niet verbeteren, maar hij kan mensen wel aan het denken zetten of bijdragen aan het ontstaan van een leefbaarder situatie. Om dat te kunnen doen, moet hij vaak meer doen dan de opdrachtgevers verwachten.

“Op de Amerhof in Utrecht is door mijn bijdrage een plein ontstaan. Er was gebrek aan ruimte in de vervallen wijk waar het in ligt: kleine huisjes, smalle straatjes. Ik wilde niet nog meer ruimte innemen door er zomaar een beeld neer te zetten, ik wilde ruimte creëren. Er is een plein gekomen, waar ook de speelplaatsen van twee scholen deel van uitmaken. Verder heb ik het budget weten te verhogen: voor achterstandswijken is doorgaans minder geld beschikbaar dan voor het centrum. Ik wilde dat omdraaien. En een goed kunstwerk kan een wijk misschien ook opkrikken.

“Op het plein heb ik een tapijt van baksteen laten neerleggen, met een dessin ontworpen door een Marokkaanse kunstenaar. In de Rivierenwijk wonen veel allochtonen, wat sociale spanningen met zich meebrengt. Ik zocht naar iets uit hun cultuur dat hier geaccepteerd is. Toen dacht ik aan zo'n kleed. Zelfs de grootste racist heeft wel een perzisch tapijt in huis. Op dat kleed heb ik zeven bronzen lammetjes neergezet. Het lam is een symbool in de westerse, christelijke cultuur. Ik heb willen laten zien dat verschillende culturen elkaar kunnen verdragen. Waarschijnlijk valt dit de gebruikers van het plein niet meteen op, maar als ze er later aan terug denken misschien wel.

“Mijn voorstel voor een verloederde straat in de Haagse Schilderswijk is vorig jaar helaas afgewezen. Ik wilde alle huizen van schotelantennes laten voorzien. De straat had twee vliegen in een klap kunnen slaan: een ritmische gevelversiering én gratis satellietverbindingen die de bewoners de gelegenheid bieden hun blik op een ander beeld te werpen dan de trieste straat.

De plannen voor de Amerhof, het Leidseplein en de Schilderswijk zijn ingrepen in de werkelijkheid. Voor de expositie Blik heeft u zich weer teruggetrokken in een tentoonstellingsruimte.

“Juist omdat ik vrijwel nooit meer tentoonstel heeft directeur Lex ter Braak me gevraagd hier toch een expositie te maken. Ik had eerst wel andere plannen. Ik wilde bijvoorbeeld tussen de beelden van de middeleeuwse Zeeuwse bestuurders op het stadhuis foto's van de huidige wethouders en gemeenteraadsleden hangen, om te laten zien dat er in het stadhuis ook moderne beslissingen worden genomen. Maar het stadhuis had net besloten dat er aan de gevels van gebouwen geen moderne kunstwerken meer mogen worden geplaatst. Ook wilde ik mijn budget gebruiken om de friettenten aan de rand van de Markt om te draaien. Sinds er op het plein geen parkeerplaatsen meer zijn, is het nog raarder dat deze snackbars met hun rug naar het plein staan. Maar de eigenaren wilden er niets van weten. Ze willen bij de winkelstraat blijven horen, daar komen hun klanten vandaan, en niet bij het lege plein. Toen deze twee plannen niet doorgingen, heb ik Middelburg de Vleeshal binnengehaald. Wat de vorm betreft is het voor mij een conventionele tentoonstelling met contemplatieve kunstwerken geworden. Ik heb wel geprobeerd een expositie te maken die niet vrijblijvend is, maar ingaat op de lokale politieke situatie. Daarom keert het bombardement steeds terug. Dat is een van de belangrijkste momenten in de geschiedenis van de stad, al is dat nu niet meer zichtbaar. Na het bombardement is besloten het centrum helemaal opnieuw op te bouwen. Authentiek is de stad dus niet, het is een soort Middeleeuws pretpark. Ook het laat-gotische stadhuis is voor driekwart van beton. Middelburg is, zoals zoveel middelgrote steden in Nederland, volledig vertrut. Door de historiserende restauraties en het autovrijmaken van de centra, verdwijnt het leven uit de stad. Het lijkt elke avond wel dodenherdenking. De stad is er alleen nog voor de toeristen. Op deze ontwikkeling heb ik de aandacht willen vestigen.”

U noemt u zelf een geëngageerd kunstenaar. Wat bedoelt u met die term?

“Dat je ook andere dingen dan de beeldende kunst serieus neemt. De kunstenaar moet niet alle aandacht naar zich toe trekken. Het gaat erom wat hij teweeg brengt.”

Het lijkt bij uw expositie in Middelburg een wat hoogmoedig uitgangspunt. Een kunstenaar uit Amsterdam komt de Middelburgers wel even vertellen wat er mis is met hun stad.

“Je zou Blik ook als een model kunnen zien van een expositie, een voorbeeld van de manier waarop beeldende kunst zich met politiek kan inlaten. Ik was benieuwd of zo'n tentoonstelling werkte.

In die zin is het toch weer een tentoonstelling die meer over de beeldende kunst zelf gaat dan over Middelburg.

“Ik heb geprobeerd het allebei te laten zijn. De beeldende kunst verkeert in een isolement. Duchamp bracht tachtig jaar geleden een pisbak het museum binnen.

Het is heel moeilijk die er weer uit te krijgen, om weer aansluiting te vinden bij het leven in plaats van het leven tot kunst te verheffen. Veel kunstenaars zoeken hun heil tegenwoordig buiten het museum, maar daar functioneert hun werk vaak als l'engagement pour l'engagement. De Poolse kunstenaar Krzysztof Wodiczko ontwierp bijvoorbeeld een karretje, een rijdend huisje voor daklozen. Het produceren van een zo'n karretje kost alleen 20.000 gulden - geen dakloze kan het zich veroorloven. Daardoor is het geen huis meer, maar beeldende kunst. Wodiszko reed er toen maar zelf in rond en voerde gesprekken met daklozen. Ik vind de Pool daarom een goede kunstenaar. Hij gaat voortdurend op zijn bek, maar dat verhult hij tenminste niet.

In 1995 nam u samen met Mozambikaanse en Zuidafrikaanse kunstenaars deel aan een met Nederlands geld gefinancierde workshop in Mozambique. Wat heeft u daar gedaan?

“Ik heb een huis gerestaureerd. Ik was de enige Europese deelnemer aan het project van de Gate Foundation in dat kapotte land. Veel Afrikaanse deelnemers stortten zich op het eindelijk overvloedig aanwezige schilders- en beeldhouwersmateriaal. Ik dacht: moet ik daar nu aan meedoen? Het complex waarin we werkten, de Núcleo d'Arte, was voor de gelegenheid opgeknapt. Alleen het huis van de bewaker was vergeten. Dat heb ik toen maar gerestaureerd. Het had de bewaker drie jaarsalarissen gekost. Ik had dat geld zo in mijn achterzak.”

Dit lijkt een wel erg letterlijke oplossing voor de problemen van de geëngageerde beeldende kunst.

“Schilderen en beeldhouwen hebben hun beste tijd gehad. Picasso kon de Spaanse burgeroorlog nog vatten in de Guernica, maar zoiets zet nu geen zoden meer aan de dijk. Een schilderij over de oorlog in Bosnië zal niemand wakker schudden. Kunstwerken moeten nu in relatie tot hun context betekenis krijgen. Het maakt niet meer uit wat voor vorm ze hebben. Ze hoeven ook niet per se een object op te leveren.

“Een van de moeilijkheden bij dit soort projecten is: hoe moet je laten weten dat ze hebben plaatsgevonden? Ik wil er geen foto's van maken en die dan in een galerie verkopen. Dat vind ik een beetje vies. Maar ik heb van het project in Mozambique wel een poster laten maken, maar misschien gaat zelfs dat al te ver. Op de poster staat een foto van de bewaker voor zijn huis en een hele korte tekst. Hier ligt ook een taak voor de kunstkritiek. Die moet over dit soort projecten berichten.”

Verliest de beeldende kunst met projecten als het Mozambikaanse niet juist datgene wat haar tot kunst maakt?

“Er is geen definitie te geven van beeldende kunst. Kunst is wat een kunstenaar maakt. Misschien verdwijnt de beeldende kunst zoals wij die kennen wel helemaal. Dat moet dan maar.”

U heeft gezegd dat de aandacht van het publiek zich teveel op de kunstenaar richt. Denkt u niet dat het feit dat een kunstenaar iemand in Mozambique een huis geeft, de kunstenaar meer aandacht oplevert dan de Mozambikaan? Gebruikt u de bewaker niet vooral om te laten zien hoe alomvattend het westerse begrip van kunst is?

“Pedro Cossa woont nu wel in een huis met ramen en een deur.”

Zou dit project voor herhaling vatbaar zijn? Of is het dan geen kunst meer? En is het niet een nogal paternalistisch gebaar?

“Ik heb niets tegen paternalisme of moralisme. Een kunstenaar mag moralistisch zijn als hij iets te vertellen heeft. Maar ik beweer niet dat ik de wijsheid in pacht heb. Toen Paradiso Berend Strik en mij vroeg om de moderne moraal te verbeelden, hebben we de opdracht bijna teruggegeven. Er bestaat geen eenduidige moraal meer en wij hebben die ook niet; wij kunnen en willen geen nieuwe bijbel schrijven. Toen hebben we een stapje teruggezet. We zoeken nu naar extreme situaties in de werkelijkheid die morele vragen oproepen. Het raam over de dood wordt bijvoorbeeld gebaseerd op een zelfportret van een aidspatiënt die euthanasie pleegt. Op het moment dat hij dat doet, neemt hij zelf een foto. Het publiek kan daar het zijne van denken.”

    • Bianca Stigter