Het wonder van de zeeg

Op beschouwingen over de godsdienst komt veel post, maar het zijn niet altijd de hoofdzaken die de interessantste reacties opleveren. Zo kreeg ik een boeiende brief van een architect over de vraag of er in de architectuur, naar analogie met wat door sommigen in het menselijke geestesleven wordt gezien, vroeger een natuurlijke harmonie zou hebben bestaan die nu verloren is gegaan.

Deze vraag had ik zelf gesteld, naar aanleiding van een passage van Marjoleine de Vos, waarin op bewogen wijze een primitief religieus ritueel op een van de Griekse eilanden werd beschreven. Het geloof dat uit dat ritueel sprak had haar getroffen. Zij zag het, schreef zij, als een onderdeel van iets 'dat daarginds nog heel was en wij alleen maar kapot kennen.'

De beschreven gebruiken roepen bij mij nogal gemengde reacties op, maar dat gevoel is mij desondanks niet onbekend. Het is een oude en al vaak beschreven emotie: 'But yet I know, where'er I go / That there hath past away a glory from the earth,' schreef Wordsworth al tweehonderd jaar geleden.

Het is alleen geen reden om er gelovig van te worden en om dat te illustreren wees ik op een soortgelijk verschijnsel in de architectuur. Ik doelde op het feit dat op het platteland, vooral in Zuid-Europa, traditionele gebouwen zo prachtig van architectuur kunnen zijn, wonderen van compositie en gevoel voor detail, terwijl de tegenwoordige bewoners bij nadere kennismaking totaal onontvankelijk blijken te zijn voor deze schoonheid; ze hebben er eeuwenlang tussen gewoond en als buitenstaander veronderstel je dat het in hun botten zit, die proporties, die vlakverdeling, die feilloze keuze van het materiaal: het lijkt voort te komen uit een natuurlijk gevoel voor die dingen - maar je ontdekt al gauw dat het die mensen straal onverschillig is; zodra ze de kans krijgen richten ze in zowel die vorm, die harmonie als dat materiaal onherstelbare verwoestingen aan. 'Banlieuisatie,' zou je het kunnen noemen. Ze slopen het lijstwerk er af, vervangen stuc door cement, dakpannen door golfplaat, tegelwerk door beton, pleister door piepschuim - en dat niet om de goedkoopte, de werkelijke drijfveer is dat ze het mooier vinden. Ze reageren kortom zoals mensen die zich opeens bevrijd voelen na eeuwen van onderdrukking,alsof het vroeger allemaal niet mocht.

Maar de meeste voorschriften zijn juist recent en zo blijf je zitten met een raadsel: hoe is die esthetiek dan ontstaan? Hoe werd dat fraaie evenwicht bereikt en hoe heeft het zich eeuwenlang kunnen handhaven? Ook hier is het gevoel onweerstaanbaar that er een glory from the earth is weggegaan, dat er iets 'kapot' is, en net als met religie is het ook hier of het vooral in stand werd gehouden door armoede en onwetendheid.

Met enige vertraging bereikte mij een reactie op het voorgaande van een architect, Ir. A.H. Jurres. Over de analogie waar het mij om te doen was spreekt hij zich niet uit, maar waar hij de aandacht op vestigt is dat die stijl, die vormen en die materialen wel degelijk van bovenaf werden opgelegd; wat werd vervaardigd was vermoedelijk zelden door de plaatselijke handwerkslieden zelf ontworpen. 'En, als 't al door ze werd ontworpen, dan toch niet anders dan op een door de koning (= intendant) aanvaarde wijze. '...Alsof het vroeger allemaal niet mocht,' schrijft U. Uw gedachtenfout zit 'm in het woord alsof: ze mochten het vroeger inderdaad niet,' aldus Jurres. Als illustratie van de rol van de Intendant, de vertegenwoordiger van de Koning die er streng op toezag dat alles volgens voorschrift gebeurde, noemt Jurres een passage in l'Ancien régime (1856) van Tocqueville, over het totstandkomen van een dorpsfontein.

Wat daarin beschreven wordt is hoe de Intendant de uitvoering van een plaatselijk ontworpen dorpsfontein verhindert. Die passage heb ik overigens niet in l'Ancien régime kunnen vinden, maar wel dozijnen andere waarin uitvoerig wordt ingegaan op de macht die door die Intendanten werd uitgeoefend,aan de hand van voorschriften vastgesteld door het Corps des ponts et chaussées.

Wat Jurres zegt over deze controle van bovenaf is ongetwijfeld juist, zeker wat Frankrijk betreft. Mijn voorzichtige tegenwerping is dat dit in andere landen een stuk minder ver ging; Tocqueville citeert de verbazing van de Schotse financier John Law (1671-1729, door de Fransen hardnekkig uitgesproken als 'Lass'): 'Jamais je n'aurais cru ce que j'ai vu quand j'étais contrôleur des finances. Sachez que ce royaume de France est gouverné par trente intendants...' De bedoelde schoonheid wordt ook gevonden in de onofficiële bouwkunst en de traditionele plattelands-architectuur van andere landen dan Frankrijk; het is tot op zekere hoogte zelfs een universeel verschijnsel. Tenminste voor een deel moet dat zonder druk van bovenaf tot stand zijn gekomen, alleen al in minder toegankelijke uithoeken waar het gezag zwak was vertegenwoordigd; en het opvallende is dat deze dorpsarchitectuur juist in zulke 'poches' vaak het mooist is. De vraag naar de herkomst van die architecturale onbedorvenheid of zuiverheid of hoe je het noemen wilt is hiermee dus niet van de baan. Een tweede argument is dat die voorschriften zelf ook weer ergens vandaan komen; in beginsel doen zij niet meer dan vastleggen wat bestond, zoals dat bijvoorbeeld ook het geval is met grammatica en taal. En dan zijn er nog andere bouwwerken dan die op het land. Er zijn er ook ter zee, en zie: ook de architectuur van schepen is aangetast door bederf, en vreemd genoeg hetzelfde bederf, herkenbaar diezelfde banlieuisatie. Verdwenen zijn de strenge vormen, de schitterende proporties, verdwenen is wat genoemd wordt zeeg, 'sheer' in het Engels, omschreven als 'opwaartse ronding, naar de zijkanten afdalend beloop', waar schepen hun karakteristieke vorm aan plachten te danken. De aanblik van een modern cruise-ship (vrachtschip, car ferry) is letterlijk in staat mij wanhopig te maken. Ook daarbij denk ik aan iets dat 'heel' is geweest en nu 'kapot' is. Er rust letterlijk geen 'zeeg' meer op. Maar wat dit moge illustreren is dat dit nog geen reden is voor het aanheffen van de kreet 'Dus God bestaat!'

Vanwaar de analogie? Tot nog vrij kort geleden werd vooral de architectuur van het classicisme beschouwd als een soort steengeworden denken en met deugd en waarheid vereenzelvigd ('Mijn verheven symmetrie is zuster van de deugd'.. 'Ik ben de waarheid, gebouwd in wit marmer' - Victor Hugo).

Ik heb het geluk bevriend te zijn met een bekende architectuurhistoricus, Maurice Craig, en vroeg hem naar zijn mening. Hier is zijn antwoord: 'Wanneer een vakman werkt met traditioneel gereedschap, met natuurlijk beschikbare materialen en op een manier die weinig verschilt van wat zijn vader en grootvader deden, dan zal hij meestal iets voortbrengen dat wij mooi noemen. Maar er zijn drie dingen die dit totaal in de war kunnen sturen: nieuwe technologie, een plotselinge toename van rijkdom, en de ontsluiting van nieuwe informatie die tevoren onbekende alternatieven beschikbaar maakt. Zo werden er bijvoorbeeld tijdens de Jacobijnse periode plotseling op grote schaal lelijke gebouwen geproduceerd, omdat er opeens veel geld was en vaklieden niet begrepen wat zij verondersteld werden te maken. En nog eens in de 19e eeuw, hetzelfde maar nog geprononceerder en om soortgelijke redenen.'

Het merkwaardige en amusante van dit antwoord is dat ook de huidige religieuze revival in deze termen kan worden beschreven; dezelfde drie dingen die 'alles in de war sturen': nieuwe technologie, een grote toename van rijkdom, en de ontsluiting van nieuwe informatie die tevoren onbekende alternatieven beschikbaar maakt. Het is duidelijk dat met dat laatste in dit geval maar één ding kan worden bedoeld.

Zo bezien is de recente godsdienstmode eigenlijk niet meer dan een bijprodukt van wat tegenwoordig New Age wordt genoemd.