Het genie van kabouter Peter

Roes. Hendrik de Vries, honderd jaar geleden geboren en pas zeven jaar dood, was er de dichter van. Weinig drank, geen drugs, hij bleef in zijn kleine kamer met zwartgeverfde muren, voerde soms danspasen uit en liet de gedichten in zich opkomen die hij opschreef wanneer ze voltooid waren.

In de droom dichtte hij, en koorts inspireerde hem. In zijn jonge jaren verbeeldde hij zich een voorwereld of sterrenbeelden. Ik kan hem niet volgen. “Gedierten: wollen wormen. Vuurvliegkringen dringen/ Om kokers, waar een zwarte stekelvacht uit voortschuift.”

Hij schreef toen droomgedichten van glasheldere onbegrijpelijkheid ('Mijn Broer') en bijvoorbeeld 'Weerzien', voor iedereen die met weerzin aan zijn schooltijd denkt. Niets dan beschrijving, er komt geen onderwijzer of leerling in voor. Dit is voldoende: 'De deur, de bel, de beide binnenplaatsen,/ De bovenvensters, die de herfstmaan kaatsen,/ De keldervensters met hun traliestangen,/ De stoep, de harde grauwheid van de gangen'. De 'Nocturnes', korte droomgedichten, zijn bloedstollend. Hij dichtte ook onzin. Waardering van andere jonge dichters, niet het minste succes bij de lezers. Dat kwam pas in 1935, toen hij Coplas publiceerde, zeven herdichtingen van Spaanse volkspoëzie, rauw, direct en heel zorgvuldig. Spanje en de volkspoëzie. Jaren lang moet Hendrik de Vries in de 'roes' geleefd hebben die zijn mooiste werk opleverde, de bundel Tovertuin (in 1947 in de handel) en gedichten die in andere bundeltjes werden ondergebracht. Die tovertuin is een wereld van wreedheid, droom, hartstocht, maar het is een sprookjeswereld, met kobolden en kabouters, prinsen en ganzenhoedsters, rovers en zigeunerinnen, heksen en tovenaars. Een kinderwereld? Dan toch de wereld van een kind dat door erudiete ouders in folklore is onderwezen. De fantasieën, de verhalen, de situaties zijn aan de literatuur ontleend, en virtuoos, meeslepend sensueel herschapen. Archetypisch dit alles? Archaïserend is een veiliger begrip. De modernist met zijn bewondering voor stuntvliegers, vond zijn bestemming in de romantiek, het toevluchtsoord voor zijn perversie.

Er volgde poëzie, een autobiografische 'levensroman' op rijm, een mooie bundel Goyescos met herinneringen aan Spanje. In Verzamelde gedichten is alles te vinden. Wie van Hendrik de Vries houdt - ik doe het van harte - zal nut hebben van de lectuur, al wordt hij zelden meer overrompeld.

De dichter van de roes heeft een saai leven geleid. Jan van der Vegt publiceerde Hendrik de Vries (1896-1989) Een biografische schets. Veelbelovende aanzet tot een volwaardige biografie. De Vries was de tweede zoon van een weinig harmonisch echtpaar. Zijn vader, leraar Nederlands, 'een stil geleerde', kende vele talen, verdiepte zich in dialecten, had hoogleraar willen worden, werd vervroegd met pensioen gestuurd omdat hij zich te vaak ziek moest melden. Zijn moeder, een veeleisende vrouw, bleek geestesziek en werd telkens weer in een inrichting opgenomen. De drie zoons waren ongeschikt voor de maatschappij. Een gezin van zonderlingen in de provinciestad Groningen.

Hendrik, soms Henk, soms Hein genoemd, was een slechte leerling op de lagere school, mislukte vroeg op de HBS, wilde kunstschilder worden en mocht dat niet. Zijn vader bezorgde hem een baantje aan het Gemeentearchief, als 'schrijver', de laagste rang, en hij vervulde zo'n dertig jaar een erg ondergeschikte dagtaak. In zijn vrije tijd schilderde en dichtte hij. In zijn jeugd maakte hij vrienden, de schilders van 'de Ploeg', een Gronings gezelschap, en de andere jonge schrijvers in den lande, Slauerhoff, Marsman, Constant van Wessem. Zijn vader hielp hem met het leren van Frans, Duits, Engels. Spaans leerde hij zonder die hulp. Zijn vader, die Italiaans en Portugees kende, had geweigerd Spaans te leren. Hij kon de Tachtigjarige oorlog niet vergeten. Spanje, de taal, het volk, de stierengevechten deden De Vries zijn vroegere fantasieën over sterrenwerelden vergeten. Tussen 1924 en 1936 reisde hij twaalf keer naar Spanje, in zijn vakanties van een paar weken. Zijn grote ervaringen. Al met al heeft hij misschien dertig weken in het land van zijn inspiratie doorgebracht. Het is niet veel in een Gronings leven van drieënnegentig jaar.

Tragiek, hartstocht, bedwelming, verrukking, razernij. Dat eiste hij van zijn eigen poëzie en van andermans poëzie. Verveling, relativering, twijfel verfoeide hij. Noch in zijn schilderijen, tekeningen, noch in zijn gedichten komt de ambtenaar voor die zich zit te vervelen op het Gemeentearchief. Zijn seksuele obsessies moeten hem hebben geïnspireerd en eenzaam hebben gemaakt. Meisjes van acht tot tien wekten zijn begeerte, hij neigde tot exhibitionisme en masochisme. Het is in zijn gedichten te lezen. Van der Vegt vertelt dat hij het uitstekend met kinderen kon vinden, graag met hen speelde, scherp naar hen luisterde en dat zij op hem gesteld waren. Tineke Hooft (1932) werd door Reinold Kuipers, verwijzend naar Lewis Carroll de Alice Liddell van De Vries genoemd, en daar zit iets in: blijkbaar had hij zoveel plezier in het taalspel van het kind dat hij, vanuit haar gedacht, gedichten kon schrijven. In Spanje reisde hij derde klas in de trein, in gezelschap van hele families, en een enkele keer zat een klein meisje bij hem op schoot. In een dorp speelde hij stierengevechtje. Als 'kindervriend, kinderaanbidder' genoot hij, in het openbaar heimelijk.

Er is wreedheid in de gedichten en ook in de Sprookjes die uit de nalatenschap zijn gepubliceerd. De Vries laat de kleine meisjes gruwelijk mishandelen en heel opvallend is de dame of de zigeunerin die een kleine jongen meeneemt en zich schandelijk aan hem verlustigt, tot zijn ontsteltenis en verzaliging. Het lijkt wel of die sprookjesvrouw zijn eigen krankzinnige moeder is. Hij heeft haar gehaat. In 1940 werd zijn poes, Lunel, door een hond doodgebeten. Hij begroef haar in de tuin met een briefje waarop stond:“Vervloekte moeder die leeft, lieve poes die dood is”. Van der Vegt vertelt het verhaal.

In 1946 trouwde hij en ging eindelijk zelfstandig wonen. Na veel ellende wat minder demonie, en soms ietwat kneuterig geluk. In Tovertuin staat een gedicht over Peter de kabouter, ziek omdat hij zo'n mooi meisje zag, en als hij haar opzoekt blijkt ze dood. Ik moet aan hem denken wanneer ik aan Hendrik de Vries denk:

Voor de heimlijkste aller kwalen:

Vlammen die bij duister branden

Helpt geen reis naar verre landen

Hoge bergen, diepe dalen -

't Wordt alleen maar droevig

doelloos dwalen;

Wie alleen is, blijft alleen

Kabouter Peter!

    • Alfred Kossmann