Gelukkig is de historicus die schrijft; Gesprek met H.L. Wesseling over Huizinga en de Huizinga-lezing

De vijfentwintigste Huizinga-lezing heeft Huizinga zelf tot onderwerp. De historicus H.L. Wesseling, die in Leiden, net als Huizinga destijds, de hoogleraarspost Algemene Geschiedenis bekleedt, werd uitgenodigd hem te houden. “Mijn vrouw kocht zijn 'Verzameld Werk' begin jaren zestig voor mij in de ramsj. In de ràmsj, zo weinig werd hij dus kennelijk gewaardeerd!”

Bijna twintig jaar, van 1976 tot 1995, was de historicus prof. H.L. Wesseling voorzitter van de Commissie Huizinga-lezing, bestaande uit vertegenwoordigers van de Leidse faculteit der letteren, NRC Handelsblad en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Sinds 1972, het honderdste geboortejaar van Johan Huizinga, vraagt deze commissie ieder jaar afwisselend een Nederlandse en een buitenlandse spreker een lezing te houden over een onderwerp van cultuurhistorische of cultuurfilosofische aard. De eerste lezing was van Rudy Kousbroek, daarna volgden schrijvers en geleerden als Mary McCarthy, Noam Chomsky, Karel van het Reve en vele andere nationale en internationale grootheden. Zij lieten hun licht schijnen over onderwerpen als 'ethologie en cultuurfilosofie', 'Bestaat er een gotische literatuur', 'De intellectuelen en de staat' en 'Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid'. Dit jaar, op 13 december aanstaande, wordt de 25ste Huizinga-lezing gehouden. De spreker is H.L. Wesseling (1937).

De tegen de zestig lopende hoogleraar Algemene Geschiedenis ziet eruit zoals je van een Leidse professor mag verwachten: blauwe blazer, grijze broek met omslagen en daaronder Engelse gaatjesschoenen. Hij ontvangt mij op zijn kamer op het Netherlands Institute For Advanced Study (NIAS) in Wassenaar, waarvan hij rector is. Het is een prestigieus instituut, gehuisvest in een prachtig gelegen villa-complex bij Duinrell, waar wetenschappers uit de hele wereld in de gelegenheid worden gesteld in alle rust onderzoek te doen. “Frits van Oostrom werkte hier aan zijn Maerlants wereld,” vertelt de rector tijdens een korte rondleiding.

Wesseling schrikt helemaal niet als ik maar gelijk met de deur in huis val met de opmerking dat het nogal raar overkomt dat de commissie waar hij voorzitter van was uitgerekend hèm heeft uitgekozen om de Huizinga-lezing 1996 te houden.''

Het is bekend dat de commissie de sprekers altijd ruimschoots van te voren selecteert, dus in feite komt het erop neer dat u als voorzitter uzelf heeft aangezocht voor deze eervolle opdracht.

“Als dat het geval was, zou het inderdaad raar zijn, maar zo is het niet gegaan. Er is al een hele tijd geleden bedacht dat de vijfentwintigste Huizinga-lezing over Huizinga zou moeten gaan, en bij dat onderwerp moest een persoon worden gezocht. Normaal gesproken wordt de commissie het eens over een spreker, die vervolgens vrij is in zijn onderwerpkeuze. Nu was de volgorde dus andersom. Het onderwerp stond vast en de commissieleden hebben buiten mij om bedisseld dat ze mij zouden vragen de lezing te houden.”

Heeft u, behalve dat u net als Huizinga in Leiden de leerstoel Algemene Geschiedenis bezet, een speciale band met hem?

Nee, mijn affiniteit met Huizinga is niet zo bijzonder groot. Als Leids student in de jaren vijftig leerde ik natuurlijk dat hij een grote naam was, maar verder was er in die tijd weinig belangstelling voor hem. Mijn toenmalige vriendin, nu mijn vrouw, kocht zijn Verzameld Werk begin jaren zestig voor mij in de ramsj. In de ràmsj, zo weinig werd hij dus kennelijk gewaardeerd! Terwijl hij toch in de jaren dertig internationaal geeërd werd, in dezelfde mate als Julien Benda en Ortega y Gasset. Hij dankte zijn roem toen vooral aan zijn rol als cultuurcriticus - maar nu loop ik vooruit op mijn lezing, want die zal voornamelijk gaan over Huizinga en de geest van de jaren dertig.

“Naar Huizinga als cultuurcriticus gaat mijn voornaamste belangstelling uit. Maar om nou te zeggen dat ik tot de Huizinga-experts behoor, nee. Dat zijn Leon Hansen, W. Krul en Anton van der Lem, die zijn correspondentie hebben bezorgd en regelmatig over hem publiceren.”

Maar voelt u zich als historicus verwant met Huizinga?

“Ik kan mezelf niet met hem vergelijken. Alhoewel... Het is eigenlijk merkwaardig dat dat uit bescheidenheid niet zou mogen. Waarom eigenlijk niet? Een vergelijking kan toch ook over de verschillen gaan? Hoe dan ook: de overeenkomst is misschien dat ik een beetje lui ben. Erg hè? Huizinga had over het algemeen korte werkdagen. Ik ook. Ik schrijf per dag niet meer dan een uur of vier.”

Aan uw columns in NRC Handelsblad van het afgelopen jaar valt af te lezen dat u zich op uw lezing aan het voorbereiden bent. Regelmatig valt de laatste tijd de naam Huizinga en in één van uw stukje schreef u over hem: 'Het laatste wat hij wilde was leerlingen aantrekken of een school vormen. Hij las niet eens de scripties van zijn studenten, laat staan hun onderzoeksvoorstellen.' U staat ook niet bepaald bekend als iemand die zich veel aan studenten gelegen laat liggen of als iemand die veel promovendi heeft.

“Dat klopt, maar het heeft zo zijn redenen. Er dienen zich namelijk maar weinig promovendi aan. Dat heeft te maken met de specifiek Leidse situatie dat er, behalve de gedeelde leerstoel Algemene Geschiedenis, ook een leerstoel Vaderlandse Geschiedenis is. Meer dan negentig procent van de dissertaties gaan over Vaderlandse Geschiedenis.”

Dat vindt U wel prettig?

“Helemaal niet erg.”

Van Huizinga is ook bekend dat hij weinig van archiefwerk hield. U schijnt ook niet bepaald een archiefrat te zijn.

Wesseling bevestigt dit met een uitbundige lach. “Hier heb ik een leuke anekdote over. Begin jaren zeventig moest ik met mijn voorganger in Leiden, prof. B. Schaper, op een bijeenkomst zijn in het Rijksarchief in Den Haag. We stonden samen in de lift en Schaper zegt tegen mij: 'Ik ben hier nog nooit geweest'. Waarop ik antwoordde: 'Ik ook niet'. Ontzettend grappig.”

De hoogegeleerde historicus doet zich luier voor dan hij is, want behalve het het proefschrift Soldaat en krijger. Franse opvattingen over leger en oorlog, 1905-1914 waarop hij in 1969 cum laude promoveerde, publiceerde hij de studie Verdeel en heers. De deling van Afrika, 1880-1914 (1991), alsmede een niet aflatende stroom essay-bundels. Toch kun je je afvragen of al die artikelen, essays en in het bijzonder ook zijn tweewekelijkse column in NRC Handelsblad geen manier is om te ontsnappen aan een nieuw, groot historisch onderzoek.

Wesseling: “Er zat tweeëntwintig jaar tussen de publikatie van mijn proefschrift en Verdeel en Heers, dus ik heb nog even de tijd voor ik met mijn derde grote boek kom. Met escapisme heeft mijn manier van werken niets maken. Ik geloof wel dat ik met de essays die ik schrijf mijn vorm gevonden heb. Toen ik voor die column in NRC Handelsblad werd gevraagd, was mijn belangrijkste drijfveer om het te doen: bewijzen dat ik het kon. Dat blijft mijn geheime genoegen. Het moet lijken alsof die stukjes met het grootste gemak zijn geschreven.”

In uw bundel Onder historici, Opstellen over geschiedenis en geschiedschrijving (1995), heeft u het over de overeenkomsten tussen de Franse Annales-school en Huizinga. U vermeldt dat Huizinga een verlanglijstje van historische onderzoeken had, zoals een geschiedenis van de ijdelheid, de hoogmoed, de zeven hoofdzonden, de tuin, de markt, het paard, de herberg, enz. Heeft u zelf ook zo'n verlanglijstje?

“Nee, helemaal niet. Ik kan me wel voorstellen dat iemand zo iets bedenkt, maar ik heb zelf niet de minste belangstelling voor dat soort dingen. 't Valt onder mentaliteitsgeschiedenis, dat interesseert mij niet zo.

Wat voor soort historicus bent u dan? Een generalist met specifieke belangstelling voor krijgskunde en expansiegeschiedenis?

“Ik denk dat ik in de eerste plaats een politiek historicus ben. Cultuurhistoricus gaat wat ver in mijn geval, want dan zou ik meer kunst erbij moeten betrekken. Ik ben zeker geen krijgshistoricus. Generalist kun je rustig zeggen. Ideeëngeschiedenis spreek me ook aan en expansiegeschiedenis interesseert me zeer.”

Uw voorganger in Leiden, Schaper, over wie u met veel warmte schrijft, was heel duidelijk partijdig als historicus. Mag dat wel? En hoe zit dat met u?

“Schaper, de zoon van het SDAP-Kamerlid J.H.A. Schaper was helemaal met socialistisch sop overgoten en als historicus ook echt partijdig. Als ik een akelige politieke situatie beschreef, wilde hij altijd graag dat ik er expliciet bij zei dat ik zo'n situatie politiek verkeerd vond. Maar dat heb ik eigenlijk nooit gedaan, ook niet toen ik jong was. Ik vind dat de lezer zelf maar moet uitmaken of iets goed of fout is. Om die reden heeft Verdeel en heers, mijn boek over Afrika, nogal eens wrevel opgewekt. Critici zeiden: 'U schrijft nergens dat het allemaal zo erg is, wat er gebeurde'. Maar ik hou er gewoon niet van als een auteur morele oordelen velt of constant zegt: wat vreselijk, hè? Ik ben niet zo'n liefhebber van klagerige boeken en in Verdeel en heers klaag ik dus ook niet aan, behalve op de laatste bladzij.

“Natuurlijk staat het iedereen vrij om een ander boek over Afrika te schrijven, maar ik wil laten zien wat er precies gebeurd is. Zonder die kennis valt bijvoorbeeld niet te begrijpen wat er nu in Zaïre aan de hand is.”

Heeft uw 'onpartijdigheid' iets te maken met het feit dat u een Leids historicus bent? In Onder historici zegt u over de negentiende-eeuwse historicus P.J. Blok dat hij Leids hoogelaar was 'en dus bepaald geen wildeman'. Bedoelt u dat Leidse historici per definitie saaie pieten zijn?

“Ik geloof inderdaad niet dat Leidse historici zich onderscheiden door grote opgewondenheid, het zijn hele beschaafde, rustige mensen. Maar saai... nee.”

Gezagsgetrouw misschien? Van oudsher heeft het Koninklijk Huis bijvoorbeeld een band met Leidse historici. Blok gaf Wilhelmina les, Huizinga was getuige bij Juliana's huwelijk en verleende haar een eredoctoraat, u begeleidde de doctoraal-scriptie van Willem-Alexander. Vanwaar die band?

“Ach, dat is traditie. Leiden was niet de eerste voorkeur van de prins, meen ik. Het was ook niet het initiatief van de Leidse universiteit om hem in huis te halen. Het betreft een voorkeur van de familie.”

Maar komt die traditie dan niet voort uit het feit dat er in Leiden geen rare dingen gebeuren? Over u is geschreven dat u van het 'juste milieu', het juiste midden bent.

“Ja, maar dat zelfde geldt voor Utrecht. En het moet natuurlijk in zo'n familie wel Leiden of Utrecht zijn. Je kunt je toch niet voorstellen dat de Oranjes in Nijmegen studeren. Of in Amsterdam. Hoewel... mijn eigen kinderen hebben ook allemaal in Amsterdam gestudeerd.”

U staat bekend om uw internationale oriëntatie. Behalve gastonderzoeker aan de Ecole Pratique des Hautes Etudes in Parijs was u in 1980-'81 visiting fellow aan het Institute for Advanced Study in Princeton. Is dat net zoiets als het NIAS, waar u nu rector van bent?

“Ja, met het verschil dat er aan Princeton een vaste staf van zo'n twintig gerenommeerde wetenschappers verbonden is. Daarin opgenomen worden, is het hoogste dat een Amerikaanse geleerde kan bereiken. Professor aan het Institute voor Advanced Study van Princeton is hoger dan Harvard, het is de top. Het instituut is onderverdeeld in vier secties, onder andere historical science en social science.”

Is er ook een afdeling vrouwenstudies?

“Nee. Bij social science zit wel een vrouw, maar ik weet niet of zij vrouwenstudies doceert.”

Ik vraag het omdat u zich in een column in NRC Handelsblad over het plagiaat van prof. R. Diekstra onlangs nogal seksistisch uitdrukte. U schreef: 'Diekstra is een zeer geliefd zielzorger, een steun en toeverlaat voor pubers in nood en een brenger van vreugde en verlossing voor vrouwen met verdriet.

Wesseling schiet in de lach. “Daar is toch niets seksistisch aan? Ik had begrepen dat Diekstra door de vrouwen aanbeden wordt. Maar misschien vergis ik me daarin. Over vrouwenstudies heb ik eerlijk gezegd geen mening. Ik weet niet precies wat het is. Bij mijn weten heeft mijn universiteit vrouwenstudies afgeschaft, als het tenminste ooit bestaan heeft.”

Vrouwenstudies is helemaal niet afgeschaft in Leiden. Het floreert, en wordt door visitatie- en evaluatiecommissies heel goed beoordeeld. Maar als ik het goed begrijp heeft u geen enkele affiniteit met vrouwenstudies.

“In academische zin, nee.”

In één van uw essays heeft u geschreven: 'Wie geen aanleg heeft voor geschiedwetenschap leert het nooit.' Hoe weet iemand die van school komt of hij aanleg heeft?

“Dat kun je niet weten. Maar ik zou iedereen die niet van lezen en schrijven houdt, ontraden om geschiedenis te gaan studeren. Ik kan me niet voorstellen dat je als historicus gelukkig wordt, als je niet van schrijven houdt. Verder moet je verbeeldingskracht hebben, inlevingsvermogen, en ook wel iets van intelligentie. Niet dat dat laatste zo belangrijk is, maar iets is toch wel fijn.”

Uit de manier waarop u over Nederlandse historici schrijft, krijg ik de indruk dat uw voorkeur uitgaat naar grote schrijvende historici zoals Huizinga en Geyl, Romein en Rogier. Bestaan zulke historici nog in Nederland?

“O ja, er zijn er heel veel en ook heel veel goede, die niet zo bekend zijn. Jongeren die al aan hun tweede of hun derde boek bezig zijn. De groten van vroeger vielen zo op, omdat ze als helden van de geest betrekkelijke eenlingen waren. Je moet ze vergelijken met kerktorens die in het polderland eenzaam oprezen en daardoor van verre zichtbaar waren, maar in een stad temidden van vele omringende gebouwen minder zouden zijn opgevallen. Het bijzondere van mensen als Geyl, Romein en Rogier was ook dat ze sterk betrokken waren bij een ideaal of een ideologie.”

Dat laatste gold beslist niet voor Huizinga, over wie uw lezing zal gaan. Hij maakte ook geen school. Waar bestond zijn grootheid eigenlijk uit?

“In mijn bundel Onder historici noem ik hem 'een onplaatsbaar genie'. Ik denk dat zijn grootheid vooral bestaat uit het feit dat hij zo goed schreef. Herfsttij der middeleeuwen is zijn belangrijkste boek, omdat daar de meest interessante visie, verbeeldingskracht, stijl en rijkdom aan gegevens uit spreekt.

Toch werd het indertijd door de vakgenoten als dilettantistisch afgeschilderd. De echte mediaevisten, zoals de Utrechtse oorkondenspecialist Otto Opperman, een Duitser, vond Herfsttij geen wetenschap.''

Is dat de reden dat u het juist wel mooi vindt?

“Ik vermoed van wel, ja. Van Opperman heb ik nog nooit een woord gelezen. En ik zal dat ook nooit doen, denk ik. Huizinga daarentegen werd wereldberoemd en is nog steeds wereldberoemd. In de jaren dertig werd hij van geleerde tot intellectueel. Daar bedoel ik mee - en hier volg ik Sartre's de definitie van het begrip intellectueel - dat hij zich met maatschappelijke en allerlei andere vraagstukken buiten zijn directe vakgebied ging bemoeien. Hij werd cultuurcriticus.

“Hoewel hij nu vooral voortleeft als de auteur van het aanvankelijk matig ontvangen Herfsttij, maakte hij pas echt furore met In de schaduwen van morgen uit 1935, een cultuurkritiek waarvan ik niet geloof dat zij de tand des tijds heeft doorstaan.

Huizinga's cultuurpessimisme is een interessant fenomeen, maar tegenwoordig beschouwen we zijn zorgen toch als ietwat overdreven. Maar nu loop ik alweer vooruit op mijn lezing.''

HUIZINGA-LEZING

H.L. Wesseling: Zoekt prof. Huizinga eigenlijk niet zichzelf?

Op vrijdag 13 december 1996 zal prof.dr. H.L. Wesseling de vijfentwintigste Huizinga-lezing houden. De titel van de lezing is: 'Zoekt prof. Huizinga eigenlijk niet zichzelf? Huizinga en de geest van de jaren dertig.'

De lezing wordt georganiseerd door de Faculteit der Letteren van de Rijks Universiteit Leiden, NRC Handelsblad en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Zij hebben de naam Huizinga aan de jaarlijks terugkerende lezing verbonden als eerbetoon aan de historicus en cultuurfilosoof Johan Huizinga (7 december 1872 - 1 februari 1945).

Voorgaande sprekers waren: Rudy Kousbroek, Mary McCarthy, Jan Pen, Jean-Francois Revel, Arthur Lehning, Noam Chomsky, Karel van het Reve, Golo Mann, Ernst Kossmann, Stefan Themerson, Renate Rubinstein, Robert Darnton, Harry Mulisch, Michael Howard, H. Drion, George Steiner, Peter Schat, Susan Sontag, Gerrit Komrij, Joseph Brodsky, E. de Jongh, Christian graaf Von Krockow, A. Th. van Deursen en Nadine Gordimer.

De lezing wordt gehouden in de Pieterskerk, Pieterskerkhof te Leiden, en begint om 20.00 uur.

Gratis toegangskaarten (maximaal twee) kunnen uitsluitend met onderstaande bon worden aangevraagd bij: NRC Handelsblad / Huizinga-lezing, Postbus 8986, 3009 TG Rotterdam. Zij die op 10 december geen toegangskaarten hebben ontvangen, moeten ervan uit gaan dat hun aanvraag niet kon worden gehonoreerd.Ondergetekende, Naam: Adres: Postcode en woonplaats: verzoekt om toezending van ... (max 2) toegangskaart(en) voor de Huizinga-lezing 1996.

    • Elsbeth Etty