Franse laureaten geobsedeerd door het verleden; Vechten met spoken, dromen van roem

Pascale Roze: Le chasseur Zéro. Albin Michel. 164 blz. ƒ 34,85 (Prix Goncourt)

Boris Schreiber: Un silence d'environ une demi-heure. Le Cherche-Midi, 1028 blz. ƒ 69,80 (Prix Renaudot)

De jury's van de Prix Goncourt en de Prix Renaudot hebben hun stem op eigenzinnige wijze laten gelden. En zo hoort het ook. Zij trokken zich niets aan van de ongeschreven wet van 'Galligrasseuil' die bepaalt dat in ieder geval de grote uitgeverijen Gallimard, Grasset en Le Seuil in de prijzen moeten vallen. Zij hadden maling aan de opwinding rond de gedoodverfde Goncourtwinnaar Eduardo Manet, net zoals zij al eerder de lovend besproken en voor maar liefst vier prijzen genomineerde Jean-Marc Aubert terzijde hadden geschoven. Zij deden recht aan de groep veelbelovende jonge vrouwelijke auteurs, waardoor dit literaire najaar wel een 'rentrée féminine' is genoemd, en zij vergaven Frankrijks oudste literaire prijs, de Goncourt, aan de 39-jarige actrice Pascale Roze voor haar eerste roman Le chasseur Zéro. De eveneens prestigieuze Prix Renaudot werd toegekend aan de 73-jarige rot in het vak Boris Schreiber voor het vuistdikke Un silence d'environ une demi-heure.

Pascale Roze kon in eerste instantie een envelop met 50 francs mee naar huis nemen. Boris Schreiber moest het doen met een uitnodiging voor de lunch waarde jury volgend jaar de winnaar kiest. Beide winnaars kunnen er echter zeker van zijn dat hun boeken in groten getale verkocht zullen worden. Voor de Renaudot schommelt dat aantal rond de 100.000 exemplaren. Meer dan een half miljoen mensen schaften vorig jaar de Goncourt aan, Le testament français van Andreï Makine, die zo in één klap een fortuin verdiende.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat Pascale Roze's Le chasseur Zéro niet minstens eenzelfde oplage zou halen. Het knap geconstrueerde boek zal door zijn toegankelijkheid en zijn helderheid ongetwijfeld bij een breed publiek in de smaak vallen. Roze, actrice en dramaturge, schreef eerder voor het toneel (Tolstoï la nuit) en publiceerde in 1994 een bundel korte verhalen (Histoires dérangées, Julliard). Zij werd geboren in Indo-China en volgde in haar jeugd haar vader, die marineofficier was, van haven naar haven. In de bekroonde roman heeft de vader van de hoofdpersoon hetzelfde beroep. Het boek draait om de al vaak gestelde vraag: 'Wie ben ik en waar kom ik vandaan?' Tegelijkertijd speelt de schrijfster met verfijnde technieken van de thriller, het stripverhaal, de muziek en het scenario, zodat het boek uitstekend verfilmd zou kunnen worden. Een aloud thema wordt zo in een nieuwe vorm gegoten.

Vanaf de eerste pagina is duidelijk dat de vertelster houdt van een zakelijke direktheid: 'Ik heet Laura Carlson. Ik ben op 10 januari 1944 geboren, in New York. Mijn vader overleed op 7 april 1945 in Okinawa.' Daarmee is al veel essentieels gezegd. Op de tweede bladzijde geeft de ik-persoon aan wat voor soort boek de lezer in handen heeft: 'Mijn jeugd was somber. Het appartement was somber, mijn grootouders waren somber en mama hulde zich in een somber stilzwijgen.' Korte, messcherpe, snerpende zinnen beschrijven een donkere, treurige, eenzame jeugd. Verderop verandert er iets in de afgemeten, vijandige sfeer. 'In één dag ben ik van kamp gewisseld, ik ben geen slachtoffer meer, maar beul.' De vertelster besluit om uit te zoeken wie haar vader was en ontdekt hoe hij, als Amerikaanse marinier op een onderzeeër, door een Japanse kamikaze werd gedood. Dan is het niet meer het lot van haar vader dat de vertelster bezighoudt, maar de persoon van de kamikaze. Het oorverdovende geraas van diens vliegtuig, de 'chasseur zéro', dringt letterlijk haar oren binnen. Langzamerhand raakt zij op haar beurt verstrikt in een gevecht op leven en dood met het spookbeeld van haar vaders moordenaar. Het is in dit koortsachtige, obsessionele, en tegelijkertijd doorzichtige spanningsveld dat de bijna gewelddadige kracht van het boek schuilt.

Hoezeer Pascale Roze de prijs voor deze eerste roman ook verdiend heeft en hoezeer haar naam nu ook op ieders lippen ligt, ze zal haar ware schrijversreputatie nog moeten vestigen.

Dat geldt niet voor veteraan Boris Schreiber die al twaalf boeken publiceerde bij een achttal uitgeverijen. Feit is echter dat de in Berlijn geboren, joods-Russische schrijver tot nu toe nog maar door een klein publiek werd gewaardeerd. Hij wordt wel een 'onbegrepen schrijver' genoemd, misschien niet het minst omdat hij dat zelf zo vindt. Schreiber behoort tot de traditionele auteurs van de ik-literatuur, die door de eeuwen heen grote menselijke gevoelens beschrijven zoals hoop, liefde, ambitie, teleurstelling en frustratie. Schreiber hield van jongs af aan een dagboek van zijn emoties bij onder het motto 'Het is jammer om je gevoelens van vandaag morgen alweer vergeten te zijn'.

Met het 1028 pagina's tellende Un silence d'environ une demi-heure sluit hij een autobiografische trilogie af, begonnen met Le lait de la nuit (1989) en Le tournesol déchiré (1991). Vijf jaar had hij nodig om in zijn precieze, gesoigneerde stijl vol overpeinzingen en citaten uit eigen poëzie, zijn leven tussen zijn elfde en zijn éénentwintigste jaar op te schrijven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte bij met zijn ouders van Parijs naar Marseille. Als eenzame dertienjarige jongen werd hij verteerd door gevoelens van haat tegenover de vijandige wereld waarin zijn schoolkameraden hem als joods immigrantje met de nek aankeken. In het schrijven vond hij een soort bescherming, een middel om te overleven. 'Een dagboek is net een spiegel. Je bent met z'n tweeën.' Nergens in het boek gebruikt Schreiber dan ook het woord 'ik', maar altijd een omschrijving die duidt op tweevoudigheid, 'Boris et moi', daarna 'Boris sans moi' en tot slot 'Boris tout seul'. Overlopend van literaire ambitie schrijft hij zijn toekomstige biografie voor de Petit Larousse: 'Boris Schreiber, 1923-..., geboren in Berlijn uit Russiche ouders. Geniale romanschrijver. Dichter en filosoof.'

Zijn moeder, met wie hij een innige band had, zag in hem een regelrecht genie. Idool André Gide moedigt hem aan door te schrijven. Zijn vader begreep niets van zijn solitaire zoon, die niets presteerde en nooit vriendjes had. Hij zelf was op zijn zesentwintigste al directeur van één van Ruslands grootste scheepvaartfabrieken. De Russische revolutie van 1917, de crisis in de jaren 30 en het nazisme voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog dwongen hem te vluchten en telkens weer een nieuw bestaan opbouwen. Noodgedwongen zette hij op zijn oude dag, na de bevrijding, weer een handel op in kalkoenen, kabeljauw en watermeloenen.

Zoon Boris houdt zich echter verre van de banale wereld van de handel. Hij schrijft gedichten en droomt, tot vervelens toe, van de eeuwige roem die zijn nog aan te vangen 'enorme toekomstige roman' hem zal brengen. Enorm is ze zeker, deze nu voltooide trilogie. Het is een indrukwekkend fresco van drie generaties Russische joden voortgedreven door de geschiedenis. Daarom zal straks, in de Petit Larousse van het jaar 2000, Boris Schreiber zeker vermeld worden als 'écrivain'. Of daarna de door hem zo fel begeerde vermelding 'romancier de génie, poète et philosophe' zal volgen, valt nog te bezien.