Evolutietheorie: de nivellering van de pitchers

Stephen Jay Gould: Full House. The Spread of Excellence form Plato to Darwin. Harmony Books, 244 blz. ƒ 48,75.

De Nederlandse vertaling (door Tinke Davids) is verschenen bij uitgeverij Contact: De gok van de evolutie, ƒ 59,90

Michael J. Behe: Darwins Black Box. The Biochemical Challenge to Evolution. The Free Press, 307 blz. ƒ 52,50

Waar Galileo Galileï driehonderdvijftig jaar op moest wachten, kreeg Darwin al binnen een eeuw voor elkaar: een officiële rehabilitatie door de Paus zelf. Eind oktober kondigde deze tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Pauselijke Academie van Wetenschappen aan dat de evolutietheorie méér dan een hypothese zou zijn. Om er direct aan toe te voegen dat '...het menselijk lichaam zijn oorsprong moge hebben in eerder bestaand leven, maar de ziel direct door God (is) geschapen'. Voor Darwin zou een dergelijke uitspraak misschien wel een verlossing hebben betekend, maar de huidige generatie evolutionaire denkers zal ongeïnteresseerd de schouders ophalen en voortgaan met het onderzoek.

En dat is vreemd. Want de pauselijke uitspraak lijkt verder te gaan dan veel christelijke wetenschappers wensen. Onlangs nog verscheen van één van hen, de Amerikaanse biochemicus Michael Behe, Darwins Black Box. Behe ziet zichzelf niet als een creationist. Hij gelooft in de wetenschappelijke methode die bijvoorbeeld heeft laten zien dat de aarde miljarden jaren oud is. Toch acht hij de evolutie niet in staat om de enorme complexiteit van het leven afdoende te verklaren. In die zin is hij een directe afstammeling van de achttiende-eeuwse Engelse theoloog Paley. Die betoogde al dat de complexiteit van zoiets als het oog alleen door tussenkomst van een 'Designer' tot stand zou kunnen zijn gekomen. Paleys metafoor is inmiddels bijna verworden tot een cliché: wie in de vrije natuur een werkend horloge vindt, moet wel tot de conclusie komen dat dat door een horlogemaker in elkaar is gezet. Voor het oog geldt precies hetzelfde: ook dat zit immers zo ingenieus in elkaar, alles is zo precies op elkaar afgestemd dat elke eerdere versie volstrekt nutteloos moet zijn geweest. Inmiddels heeft wetenschappelijk onderzoek overduidelijk aangetoond dat die stelling onjuist is en Behe weet dat natuurlijk. Het is daarom des te verbazender dat hij dat aloude argument opnieuw van stal haalt. Voor hem schuilt de 'onverklaarbare complexiteit' in de moleculaire processen die zich in al onze cellen afspelen.

En inderdaad zal het menig lezer duizelen wanneer Behe, overigens vrij duidelijk en overzichtelijk, uitlegt hoe de bloedstolling gereguleerd is of hoe ons immuunsysteem indringers herkent en uit de weg ruimt. Als er in dergelijke ingewikkelde ketens ook maar één enkele schakel, één enkel eiwitje tussenuit wordt gehaald, werkt het niet meer. Een dergelijke ongelofelijke complexiteit kan niet het gevolg zijn van evolutie. Voor hem blijft er dus nog maar één conclusie over: iemand moet dat allemaal bewust in elkaar hebben gezet of, met andere woorden, hier was sprake van intelligent design. Het is het horlogemakers-argument in een iets ander jasje. Behe trekt zich zo simpel terug op één van de laatste probleemgebieden die de wetenschap nog over heeft gelaten, hoewel er maar weinig wetenschappers zijn die er serieus aan twijfelen dat ook de raadsels uit deze 'zwarte doos' eens zullen worden opgelost.

Waar er van de kant van de kerk sprake lijkt te zijn van een zekere toenadering, zijn er anderen die de evolutie tot hun uiterste en daardoor nog veel minder acceptabele consequenties doortrekken. Eén van hen is de Amerikaanse paleontoloog Stephen J. Gould, een bekend popularisator en schrijver over evolutie. In zijn ogen houden we nog te veel vast aan het geloof in vooruitgang. We mogen dan het toevallige resultaat zijn van een miljarden jaren durend evolutionair proces, maar dat heeft dan toch maar geleid tot zoiets complex als de menselijke geest. Ons bestaan moet dus in feite al ingesloten hebben gelegen vanaf het begin der tijden: '...we feel a need to validate our existence as a predictable cosmic preference'.

Volgens Gould is dat een misvatting. Homo sapiens is helemaal niet karakteristiek voor al het leven op aarde. En vooruitgang bestaat zelfs helemaal niet. Om dat aannemelijk te maken maakt hij gebruik van een van zijn alom bekende liefdes: het Amerikaanse honkbal. Deze van statistiek vergeven sport worstelt al jaren met een opvallend fenomeen: de verdwijning van het slaggemiddelde van 0,400. Vroeger waren er talrijke slagmannen die er een heel seizoen lang in slaagden dat gemiddelde te handhaven. Sinds Ted William in 1941 gemiddeld 0,406 sloeg, is het echter niemand meer gelukt. Dat geeft nog altijd aanleiding tot hevige discussies over de vermeende teloorgang van de kwaliteit van deze sport. Ook Gould zelf wijdde al eens zijn column in Natural History aan dit onderwerp.

Nu publiceert hij dan - in de vorm van zijn vijftiende boek - de wat hem betreft definitieve oplossing van het raadsel. Zoals wellicht te verwachten was, blijkt de kwestie niet alleen nauw samen te hangen met zijn eigen vakgebied, maar opvallend genoeg ook met een zeer ernstige ziekte waar hij de afgelopen jaren mee heeft geworsteld en waar hij pas sinds kort weer helemaal bovenop is gekomen. Op overtuigende wijze weet hij die drie verhalen met elkaar te vervlechten. Het draait volgens Gould allemaal om individuen die proberen beter te zijn dan de anderen. Daarbij lijkt er sprake te zijn van een gestage vooruitgang. We lopen harder en gooien verder. Maar dat kan niet zomaar onbeperkt doorgaan, er bestaan immers wel degelijk zogenaamde randvoorwaarden. Er zijn grenzen aan de afstand waarover een slagman de bal kan wegslaan. Niet alleen fysieke grenzen, maar ook grenzen die worden opgelegd door bijvoorbeeld het materiaal. Op veel gebieden zijn we die grenzen genaderd en kunnen we nauwelijks beter. Dat betekent dat de variatie - het verschil tussen de slechtsten en de besten - is afgenomen. Zo ontstaat het paradoxale resultaat dat, hoewel de kwaliteit van de spelers alleen maar is vooruitgegaan, het toch steeds moeilijker is geworden om een uitzonderlijk resultaat als een slaggemiddelde groter dan 0,400 te scoren.

Door niet de volledige variatie in beschouwing te nemen - het 'full house' uit de titel - heeft iedereen zich blindgestaard op een vermeende achteruitgang in kwaliteit. Het omgekeerde is gebeurd bij de manier waarop bijna iedereen naar de evolutie kijkt. We zijn er volledig van overtuigd dat deze gepaard gaat met een toename in complexiteit, waarbij wij mensen het verst gevorderd zijn. Het is zo'n beetje ons laatste plechtanker, nadat Galileo en Copernicus ons onze centrale plaats in het universum hebben afgenomen, Darwin liet zien dat we niet 'naar Zijn evenbeeld zijn geschapen' maar van de apen afstammen en Freud ons onze rationaliteit afnam door ons te wijzen op onze duistere binnenwereld. Gould acht het tijd voor een vierde, definitieve, revolutie: de vooruitgang die het resultaat lijkt te zijn van het evolutionaire proces is niets anders dan een bijverschijnsel van een gestaag toenemende variatie. En om het dan nog even helemaal af te maken, laat hij zien dat het de bacterie is die als enige recht heeft op de titel 'meest dominante soort'.

Het is een mooi duo: Gould en Behe. De één heeft al veel moeten toegeven, maar houdt wanhopig vast aan een laatste strohalm, daarbij fanatiek het woord 'God' vermijdend om niet te worden ingelijfd in het verfoeide kamp der creationisten. De ander voert zijn evolutionaire standpunt door tot zijn uiterste, logische consequentie en zal daardoor velen tegen zich in het harnas jagen. Het lijkt een omgekeerde evolutionaire wedloop, tussen twee kampen die het hoogstwaarschijnlijk nooit met elkaar eens zullen worden.

    • Rob van den Berg