Elke dag zwaardvis

Je eigen voeten zijn nog altijd de goedkoopste snackbar. Ik vind knagen aan mijn teennagels heerlijk. Vooral vlak voor het slapen gaan. Maar zo te zien zijn er nog heel wat anderen die er wel brood van lusten.

We waren nog altijd in het Land van de Liefde in Pennsylvania. En niet alleen naast ons privézwembad, waarin je niet veel meer kon dan een soort veredeld watertrappen, vonden we teennagels. Naast ons bed, in de badkamer, voor de open haard die het niet deed. De echte knager ziet meteen het verschil tussen een vingernagel en een teennagel.

Bij een Engelse dichter las ik ooit dat De Zon een afhaalchinees was. Nu wist ik voor eens en voor altijd dat het Land van de Liefde een motel is in Pennsylvania. Om tien uur in de ochtend waren we wakker geworden. Onze huwelijksnacht was zonder noemenswaardige incidenten verlopen. Meer kan je van een huwelijksnacht niet verwachten. In het daglicht zagen we pas goed waar we terecht waren gekomen. Tot zover het oog strekte, huwelijksnachtbungalows. (Zo heette de bungalow die wij gehuurd hadden.) Rij aan rij, en allemaal zagen ze er hetzelfde uit.

We pakten onze spullen in. Veel hadden we niet bij ons. Bij de receptie gaf ik de sleutels af. Billy bleef in de auto. We hadden een Ford gehuurd. Volgens Billy was hij nog een uit de jaren tachtig. Ik weet niet zo veel van auto's. Het meisje van de receptie wenste mij een prettige voortzetting van de huwelijksreis en gaf me een folder mee waarmee ik tien procent korting zou krijgen als ik voor 1999 terug zou komen naar Het Land van de Liefde.

'Voor 1999 kom ik zeker terug', beloofde ik.

Nog een keer keek ik naar de plastic palmen en de fontein. Toen verliet ik Het Land van de Liefde.

Over route 80 reden we in westelijke richting. Iets voor het plaatsje Blakeslee zagen we een bord: 'Voor het beste ontbijt van Pennsylvania, hier naar rechts, en dan tien minuten rechtdoor.'

Het beste ontbijt van Pennsylvania bleek een hut te zijn met acht houten tafels en twee dames op leeftijd die rondliepen met kannen koffie. Een van de dames droeg een ijsmuts.

We gingen aan een ronde tafel zitten en bestelde het beste ontbijt van Pennsylvania. Waaruit het beste ontbijt precies bestaat zou ik nog steeds niet kunnen navertellen, maar het was meer dan genoeg om er drie dagen van te leven. We ontdekten een stuk vlees overbakken met eieren, toast, ondefinieerbare worst, roerei, gebakken aardappeltjes. En dat voor $ 3,99.

Aan onze tafel zat een dame met een sjaaltje om. Ze had een grote bruine koffer bij zich. Ze zat de hele tijd naar ons te kijken, dus keek ik terug. Ik vind het niet prettig als mensen me aanstaren terwijl ik aan het eten ben.

Zij vond het blijkbaar ook niet prettig, want op een gegeven moment vroeg ze: 'Wat is het probleem?'

'Niets', zei ik, 'ik kijk.'

'Ja', zei ze, 'dat zie ik'. Ze had wel wat van een sprekende muis. Ze had de stem van een muis, en ook het spitse gezicht van een muis.

'Komt u hier vaak?' vroeg ik.

'Nee', zei ze, 'dit is mijn eerste keer.'

'Onze ook', zei ik.

Billy knikte met haar mond vol.

Toen kwam de mevrouw met de ijsmuts en schonk onze kopjes vol. Het spatte lekker hoog op.

'Bent u op doorreis?' informeerde ik.

'Ik ben hier net afgezet', zei de mevrouw met de muizenstem. Ze keek voortdurend om zich heen, zodat ik het idee kreeg dat ze op iemand wachtte.

'Ik heb hier vannacht in de buurt gewerkt', zei ze.

'Oh ja?'

'Ja', zei ze, 'ik ben zwijgend figurant. Als ze mensen nodig hebben in films die voorbij moeten lopen of in een bus moeten zitten, dan huren ze mij in. Ik had graag wat willen zeggen, maar ik heb een beetje een accent, daarom ben ik zwijgende figurant. Ik heet trouwens Osna.'

'Osna', zei ik, 'leuk je te ontmoeten. Dit is Billy, ik ben Arnon.'

Osna boog zich naar ons toe, 'Ik ben genoemd naar de Duitse stad Osnabrück.'

'Jezus', zei ik, 'ze is genoemd naar de stad Osnabrück. Als ouders hun kinderen naar steden gaan noemen, dat moet wel het teken zijn dat de Armageddon voor de deur staat.'

'Ja', zei Osna, 'de armageddon staat voor de deur, daarom ben ik ook aan het verhuizen.'

'Hoe lang ben je daar al mee bezig?'

'Een paar jaar', zei Osna, 'en zo af en toe ben ik zwijgende figurant in een film om wat geld te verdienen.'

'Laten we drinken op Osnabrück', zei ik. We stootten onze koffiekopjes tegen elkaar.

'Heb je een agent?', vroeg Billy.

'Oh wel tientallen', zei Osna, 'ze willen allemaal geld, het zijn net pooiers.' En toen zei Osna opeens, 'Ik eet heel veel sla.'

Omdat er een stilte viel zei ik maar, 'Sinds 1976 heb ik niet zo'n goed gesprek gehad.'

'Nee', zei Osna, 'ik ook niet. Ik ben zwijgende figurant, dan heb je niet zoveel gesprekken. Ik heb wel een tijd geprobeerd reisverhalen te schrijven, omdat ik zoveel op reis ben. Maar er was geen belangstelling voor mijn reisverhalen. Daarom heb ik me sinds een paar jaar helemaal toegelegd op het zwijgend figureren.'

'Op het zwijgend figureren', zei ik. En opnieuw stootten we onze koffiekopjes tegen elkaar. De vrouw met de ijsmuts op begon argwanend naar ons te kijken.

'Osna', zei ik, 'we rijden nog een stukje door naar het westen, kunnen we je een lift geven?'

'Heel graag', zei Osna.

Zo reden we verder over route 80. Een halve junk, een zwijgende figurant en een handelaar in rozijnen, een mooi stelletje.

Op een gegeven moment zei Billy: 'We zijn de Amerikaanse nachtmerrie'.

'Ja', zei ik, 'dat is precies wat we zijn.'

En nog altijd reden we naar het westen.

(wordt vervolgd)

    • Arnon Grunberg