Duitsland in de twintigste eeuw; Het onopgeloste vraagstuk van de continuïteit

Frits Boterman: Moderne geschiedenis van Duitsland 1800-1990. De Arbeiderpers, 629 blz. ƒ 75,-

Eberhard Jäckel: Das deutsche Jahrhundert. DVA, 376 blz. ƒ 55,70

Over enkele maanden zal de in 1949 opgerichte Bondsrepubliek het Duitse keizerrijk (1871-1918) in levensduur overtreffen. Waarschijnlijk zal dit jubileum weinig aandacht trekken, hetgeen onderstreept hoezeer de democratie in Duitsland een vanzelfsprekendheid is geworden. Uit het mooie boek van Frits Boterman, als historicus verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, is af te leiden dat de naoorlogse bloei van het democratisch bestel een breuk inhoudt met een ontwikkeling die vaak is aangeduid met de term Sonderweg: lange tijd onderscheidde de Duitse natie zich door haar moeizame verhouding tot de democratie. Dat gold zeker ook voor de keizerlijke periode, die begon met de oprichting van de Duitse eenheidsstaat. In een van zijn beste hoofdstukken, waarin Boterman zijn grondige kennis van het historiografische debat, analytische scherpte en bondige stijl volledig heeft weten te benutten, wordt een analyse gegeven van de gereserveerde en vaak zelfs vijandige houding die de Duitse burgerij eind 19de eeuw tegenover de democratie innam.

Deze ontleding is heel wat overtuigender dan de poging die Eberhard Jäckel, hoogleraar geschiedenis in Stuttgart en vooral bekend geworden door zijn Hitlers Weltanschauung (1969), in zijn nieuwe boek onderneemt om de Sonderweg-these onderuit te halen. Zijn oordeel dat Duitsland in deze periode overwegend democratisch was en dat de keizer nauwelijks politieke invloed had, is te bizar om serieus te nemen en schiet zijn doel volledig voorbij. Jäckel heeft tijdens het in Duitsland gevoerde debat over het boek van Daniel Goldhagen met grote felheid diens these afgewezen dat het Duitse volk al sinds het einde van de 19de eeuw bezeten was van een moordzuchtige jodenhaat. In Das deutsche Jahrhundert lijkt hij nog voortdurend in debat te zijn met deze Amerikaanse auteur, die hij echter bestrijdt met sweeping statements die in botheid niet onderdoen voor de grove generalisaties van Goldhagen. Volgens Jäckel stelde het anti-semitisme in het keizerlijke Duitsland niet veel voor, was het aan de macht komen van Hitler slechts een bedrijfsongeval, etcetera.

Boterman mag dan een scherper inzicht hebben in de problematische verhouding die Duitsland lange tijd had tot democratie en vrijheid, het is de vraag of hij dit vraagstuk niet teveel naar het heden doortrekt. De schrijver van Moderne geschiedenis van Duitsland heeft zijn relaas gegroepeerd rondom drie vraagstukken die naar zijn mening de continuiteit van de Duitse geschiedenis markeren. Behalve de nationale identiteit - een vaag begrip waarvan Boterman echter een glasheldere definitie geeft - zijn dat de sociale rechtvaardigheid en de democratie. Zowel in de inleiding als in zijn slotbeschouwing schrijft hij dat Duitsland aan het eind van de twintigste eeuw, evenals in het verleden, opnieuw voor de taak staat deze drie problemen te beheersen.

Heeft de auteur zich hier niet teveel vastgebeten in zijn ambitie elementen van continuïteit op het spoor te komen? In elk geval is het twijfelachtig of hij die poging op de juiste thema's richt. De preoccupatie met deze drie vraagstukken illustreert dat het boek van Boterman vooral grote verdiensten heeft als geschiedenis van de Duitse samenleving. De keerzijde is dat de buitenlandse politiek niet altijd de aandacht en zorgvuldige behandeling krijgt die ze verdient. Anders gezegd: dit werk lijdt enigszins aan de tekorten van zijn kwaliteiten.

Er is nauwelijks een thema denkbaar waarin de continuïteit van de Duitse geschiedenis zozeer tot uitdrukking komt als de Mittellage, de geografische positie van Duitsland in het centrum van Europa. Boterman behandelt dit punt als onderdeel van de nationale identiteitskwestie, die bij hem in de eerste plaats een binnenlands-politiek karakter heeft. Maar is dit vraagstuk van de centrumpositie ook voor het huidige Duitsland niet veel dringender dan dat van de democratie of de sociale rechtvaardigheid?

Kanselier Kohl staat enerzijds voor de taak de Westbindung te handhaven en moet daarvoor de samenwerking met zowel Amerikanen als Fransen cultiveren. Die opgave is op zichzelf al heel moeilijk, gezien de moeizame betrekkingen tussen Washington en Parijs. Tegelijkertijd dwingt de centrale positie van Duitsland de regering in Bonn ook nog om de stabiliteit in het Middeneuropese achterland te bevorderen, terwijl bovendien de betrekkingen met Moskou van essentieel belang blijven.

Altijd heeft de Mittellage de dreiging opgeroepen van een anti-Duitse coalitie. Zoals Bismarck ten koste van alles een Frans-Russische alliantie wilde verhinderen, zo probeerde Stresemann de Frans-Britse samenwerking te ontregelen, werd Adenauer door zijn 'Potsdam-complex' gemotiveerd een Amerikaans-Russische coalitie te voorkomen. En zo wil Kohl iedereen te vriend houden en de Duitse macht zo onzichtbaar mogelijk maken, met de bedoeling het gevaar te bezweren dat van het trio Amerika, Rusland en Frankrijk twee of drie elkaar vinden in een onderlinge toenadering op anti-Duitse basis. Jäckel heeft deze 'kwestie' in zijn laatste - en beste - hoofdstuk, dat handelt over Duitslands positie aan het eind van de 20ste eeuw, terecht een centrale plaats gegeven.

De Eerste Wereldoorlog is door de Amerikaanse diplomaat-historicus George Kennan ooit getypeerd als de Duitse 'oercatastrofe'. Zonder deze oorlog geen Hitler, zonder Hitler geen Tweede Wereldoorlog en zonder Tweede Wereldoorlog geen Duitse deling waaraan pas in 1990 een einde kwam. Welke verantwoordelijkheid droeg Duitsland voor deze ramp en hoe was het mogelijk dat in 1990 de Duitse natie zich toch weer kon verenigen? Ook in zijn antwoorden op deze twee sleutelvragen laat Boterman zien dat buitenlandse politiek in zijn boek niet de behandeling krijgt die gewenst ware geweest. Door een verband te leggen tussen het optreden van de eerste rijkskanselier Bismarck (1871-1890) en het uitbreken van de oorlog in 1914 wekt hij teveel de indruk dat het van begin af aan mis moest gaan. Bismarck maakte volgens hem een grote fout door samenwerking met zowel Oostenrijk-Hongarije als Rusland te zoeken. De spanningen tussen deze twee naties liepen zo hoog op dat Duitsland aan het gevaar blootstond in hun conflict te worden betrokken - zoals inderdaad in 1914 gebeurde. 'Zo bracht het alliantiesysteem Duitsland weer dichter bij een tweefrontenoorlog', schrijft Boterman over de buitenlandse politiek van Bismarck.

Dat oordeel overtuigt niet, al was het maar omdat deze rijkskanselier al een kwart eeuw vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog uit zijn functie werd ontslagen. Bovendien vergeet Boterman dat er voor de samenwerking met Oostenrijkers en Russen geen alternatief was. Nadat Frankrijk in de oorlog van 1870/71 was verslagen, moest Duitsland ten koste van alles voorkomen dat de op revanche beluste Fransen een partner zouden vinden voor een anti-Duitse coalitie. Zolang Engeland neutraal bleef, kwamen alleen Oostenrijk en Rusland in aanmerking: dat was de reden dat Bismarck deze beide naties te vriend moest houden.

Deze politiek bracht inderdaad het risico mee in hun conflicten betrokken te raken, maar Bismarck gebruikte de samenwerking met beide staten om hun gedrag te matigen en hun expansiedrift te coördineren. Daar lag het grote verschil met zijn opvolgers, die zich onder de aanmoedigingen van Wilhelm II steeds meer achter Oostenrijk opstelden en de Russen in Franse armen dreven.

Deze keizer, die bovendien met zijn provocerende vlootpolitiek Groot-Brittannië tot een anti-Duitse houding dwong, bracht Duitsland in een gevaarlijk isolement waaraan het in 1914 alleen nog door een vlucht naar voren meende te kunnen ontkomen. Curieus is dat Boterman dit in zijn ogen onverantwoordelijke gedrag plaatst tegenover de 'stuurmanskunst' van Bismarck, die naar zijn zeggen voorkwam dat Duitsland niet geisoleerd raakte. Hoe is dit oordeel te combineren met het eerdere verwijt dat diens alliantiepolitiek Duitsland dichter bij een tweefrontenoorlog bracht? De indruk bestaat dat Boterman hier in zijn betoog een paar losse einden heeft laten hangen.

Hetzelfde kan worden gezegd van zijn antwoord op de vraag wat de oorzaken zijn van de Duitse eenwording in 1990. Moeten die vooral worden gezocht in de door Adenauer gerealiseerde integratie in het Westen en de Politik der Stärke, die de Westerse druk op de Sovjet-Unie opvoerde en ten slotte mogelijkerwijs tot de val van het communisme leidde? Of heeft de Ostpolitik van toenadering en samenwerking het fundament van het communistische systeem langzaam maar zeker aangetast, tot het uiteindelijk geen stand meer hield?

Boterman laat het bij enkele verspreide en niet altijd even verhelderende opmerkingen. De Ostpolitik, die hij ten onrechte afschildert als een exclusieve uitvinding van de SPD - CDU-minister Gerhard Schröder van buitenlandse zaken begon in 1963 handelscontacten te leggen met enkele Middeneuropese landen - zou men volgens hem kunnen zien als een vervanging van het streven naar eenwording. De doelstelling van Wandel durch Annäherung was echter, zoals hij ook zelf schrijft, op langere termijn het communistische regime, dat de hereniging in de weg stond, te hervormen. Het is anderzijds waar dat de Duitse sociaal-democratie in de loop der tijd de eenwording als doelstelling veronachtzaamde en de contacten met communistische machthebbers als een doel op zichzelf begon te beschouwen.

Zette Kohl na zijn aantreden in 1982 deze politiek voort, zoals Boterman schrijft? Hij lijkt het zelf niet te geloven, want op een andere plaats lezen we dat de CDU vasthield aan de hereniging. Eenzelfde ambivalentie valt op in het oordeel over de vraag wat de Ostpolitik uiteindelijk heeft bijgedragen aan de eenwording. Op de ene plaats schrijft Boterman dat achteraf niet is vast te stellen of het communisme door deze politiek is gedestabiliseerd, maar in de slotbeschouwing merkt hij op dat de Ostpolitik 'uiteindelijk' niet in staat was de hereniging te bewerkstelligen. De schrijver heeft te weinig oog voor het door Timothy Garton Ash in diens In Europe's name (1993) uitgewerkte argument dat de Ostpolitik niet als alternatief voor, maar wel in aanvulling op de Westbindung succesvol was.

Het is misschien niet tekortschietende kennis of gebrek aan belangstelling, die de passages over buitenlandse politiek tot de minder geslaagde onderdelen van dit boek maken. Mogelijk is hier eerder een compositieprobleem aan de orde. Andere recente overzichtswerken, zoals bijvoorbeeld het veel bejubelde en nog vaker verkochte Die Deutschen im Ihrem Jahrhundert (1990) van Christian Graf von Krockow, lijden vaak aan een vergelijkbaar euvel. Dit geldt zeker ook voor Das deutsche Jahrhundert van Jäckel, waarvan het slothoofdstuk merkwaardig genoeg totaal niet aansluit bij de rest van zijn boek. Het blijkt een moeilijke opgave te zijn de politiek-maatschappelijke en de buitenlands-politieke ontwikkeling beide tot hun recht te laten komen. Frits Boterman komt het compliment toe dat zijn boek als geheel zeker niet onderdoet voor de werken van deze gerenommeerde Duitse auteurs.

    • Ronald Havenaar