De eeuwige spelbreker

In het eerste deel van Dramatische Kroniek (1919) van schrijfster en toneelrecensente Top Naeff lees ik: 'Een ieder recensent zij verplicht minstens één maal in zijn leven zijn plaats in de stalles te verlaten en het toneel te betreden, om aldaar aan den lijve de bezwaarlijkheden der toneelspeelkunst in hunnen vollen omvang te ondergaan.' 'Oedipus' heet het stuk waarin zij dit schrijft en waarover een voetnoot meldt dat het om 'een open brief aan de critici van Nederland' gaat.

Naeff spreekt hen aan op hun geweten. 'Weet gij, collega, wat een gebaar is? Hoe men, ten aanschouwe van nog slechts een leege tribune de armen heft, niet als een vogelverschrikker, maar als een edele telg van Kadmos? En hoe men van dit gebaar weer àf komt, niet met horten en stooten, doch evenmin gelijk de wieken van den molen?' Verderop vraagt de schrijfster zelfs: 'Weet gij wat ademen is? Hebt ge in uw leven eigenlijk wel ooit geademd?' En na een exposé van 'de bezwaarlijkheden der toneelspeelkunst' ('breede trappen waar ge af moet, niet op uw elf-en-dertigst maar in volle vaart') zegt ze: 'Ge zoudt wat geven, collega, voor één woord van aanmoediging uit uw eigen hartelooze pen!'

Naeffs cri-de-coeur is ingegeven door een 'jongmensch' dat haar op een theatermanifestatie in Sonsbeek, aanspreekt en toevertrouwt: 'Ik ben de mensch, dien gij dezen winter in de Purmerendsche Courant verzuimd hebt aan te moedigen.' Hij was in de door haar besproken voorstelling 'de derde moordenaar van links' geweest en als zij niet haar 'levend-villende critiek' had geschreven, dan zou hij 'nu misschien...de rol van Oedipus...' Hij snikt, schrijft Naeff.

Ze heeft 'den begaafden jongen-man' de hand gedrukt en hem beloofd dat hij voortaan 'zelf zijn kritiek in de Purmerendsche krant mocht schrijven, omdat een beginneling ook mijns inziens zijn school, zijn partij en zijn courant behoort te hebben, en het beter is een paar moordenaars te veel aan te kweeken dan één Oedipus verloren te laten gaan''. En ze eindigt haar tot compassie oproepende stuk met: 'Al ware het maar als het knaapje dat Theresias geleidt, collega, ge zoudt aan den lijve ervaren comment l'art est difficile!'

Het is een kwestie die Naeff aansnijdt, nog steeds. Nog altijd overheerst het beeld van de kunstenaar die zijn nek uitsteekt en de criticus die daar de valbijl op neerlaat. Onschuldig en kwetsbaar is de eerste, een onsympathieke bruut de tweede. Stond hij zelf maar eens op het toneel en - bij uitbreiding - schreef hij zelf maar eens een roman of schilderde hij zelf maar eens een doek! Dat is de begrijpelijke reactie, en heus niet van de kunstenaars alleen.

Maar zou het werkelijk zo zijn dat de 'participerende' criticus ook een betere criticus is? Zou zijn oordeel, onder invloed van zijn ervaring, niet net zo gekleurd zijn, zij het in voor de kunstenaar gunstige zin? En maakt hem dat betrouwbaarder? Nee, ja en nee natuurlijk: zorg om het wel en wee van de kunst is mooi en zelfs noodzakelijk, maar eraan deelnemen moet de criticus toch maar liever niet. Hij moet afstand houden en zich schikken in zijn lot van eeuwige spelbreker en feestbederver en anders, helaas, maar een ander vak kiezen.

Alles weten is alles begrijpen is alles vergeven, maar een criticus (en met hem zijn lezers) schiet daar niets mee op. Dat vindt ook en zelfs Top Naeff. Haar aanstekelijk-ironische open brief is geen mea culpa. Ondanks al haar mededogen en empathie en ondanks zijn bittere tranen, stuurt ze het door haar in de knop gebroken talent met haar malle belofte vriendelijk het bos in. Ze stond daar, en kon niet anders. Ik constateer het met, toch nog, opgelucht gemoed. Want het antwoord op de vraag hoe het zou zijn om daar op het toneel te staan ('starend in den glazigen blik uwer mede-menschen') behoeft geen ervaring aan den lijve. Vreselijk natuurlijk.