Büch sluit Winkler Brockhaus-reeks af; Relaas van een monomane zeur

Boudewijn Büch: De bocht van Berkhey. De Arbeiderspers, 170 blz. ƒ 29,90

Het klinkt als een dialoog in een twijfelachtige sketch. Patiënt ligt op de divan van de psychiater, die zijn liefde voor 'de vuurtoren' begint te analyseren. 'De vuurtoren moet je als een soort penis zien. De vuurtoren staat voor je vader, voor een brandend verlangen. Het klinkt ingewikkeld maar het is de waarheid.'

'Klinkt totaal stupide en is leugenachtig derderangs psychoanalytisch gelul.'

'Kom maar. Zeg het. Laat het komen. Uit je, profileer je naar mij toe. Durf kwetsbaarheid in je taal te leggen. Doe voor even alsof ik je vader ben. Word maar kwaad.'

'Ik word niet kwaad en ik ga ook niet slap lullen. Ik ga weg.'De psychiater in De Bocht van Berkhey, de nieuwe roman van Boudewijn Büch, kijkt niet meer op van deze tirade van zijn patiënt. Hij is wel wat gewend - net als de lezer, die deze zelfde psychiater al kende uit Büchs vorige roman, Geestgrond, toen hij ook al onderwerp was van hoon en spot. Veel geholpen heeft de therapie ook niet, want De Bocht bij Berkhey is alweer de derde roman waarin Büchs alter-ego Winkler Brockhaus op zoek gaat naar zijn wortels - en dan vooral naar zijn vader, het maniakale, depressieve oorlogsslachtoffer waarvan Winkler zich niet meer heeft kunnen losmaken nadat hij op diens twaalfde verjaardag het huis verliet.

Volgens de uitgever is De bocht van Berkhey de afsluiting van de reeks, maar uit de roman zelf komen niet veel redenen naar voren om dat te geloven. Waar Winkler in Geestgrond nog de halve wereld over reisde om zijn vader te zoeken, keert hij in De bocht van Berkhey terug naar de omgeving van zijn jeugd, in het bijzonder de duinen, waar hij met zijn vader wandelde, fietste, naar vlinders zocht en vuurtorens beklom. Dit verschil is echter niet meer dan een decorwisseling; Winklers zoektocht blijf even obsessief en onafgerond als in Büchs vorige romans.

Voor de volwassen Winkler zijn de duinen rond Wassenaar, Oppidum, zoals het dorp in het boek heet, het verloren Arcadië. De straten uit zijn jeugd zijn weliswaar verbreed en overal is nieuwbouw verschenen, maar Winkler ziet nog steeds achter iedere duinpan de idylle van zijn jeugd. Vooral een watertje dat achter zijn huis ligt, de Schutzijl, dat door iedereen die hij ermee naartoe neemt als 'een sloot' wordt beschouwd, vindt Winkler het 'mooiste kanaal ter wereld'. 'De lelijkheid die door de tand des tijds ten slotte mooi geworden is', zoals hij dit fenomeen omschrijft.

Door het hele boek heen schemert Winklers besef dat hij door zijn eigen herinnering in de tang is genomen: doordat hij zijn heden altijd door het filter van het verleden bekijkt, kan hij er geen afstand van nemen. Het is dan ook niet zo vreemd dat de buitenwereld zich steeds meer van de obsessieve Winkler afkeert, in zijn ogen omdat ze weigert de liefde voor zijn vader begrijpen, volgens vrienden en familie omdat Winkler een monomane zeur is, die alles wat er gebeurt op zijn vader betrekt. De voornaamste verpersoonlijking van die boze buitenwereld is zijn moeder, die een feest gaf toen de vader uit huis vertrokken is, Winkler met een 'schrijvend Hitlertje' vergelijkt als ze zijn dagboek vindt en iedere keer als hij iets over zijn vader wil vragen roept: 'Gaan we weer over die man beginnen? Hoe krijg je het toch steeds voor elkaar!' Maar ook zijn geliefde Saskia, die aanvankelijk alle begrip voor hem heeft, ziet het na een tocht door 'die baggersloot' niet meer zitten: 'Vaak heb ik het idee gehad dat ik geen relatie had met jou maar met die onvermijdelijke vader van je. Ik ken die man niet eens! Hoe lang is hij nou verdomme al niet dood?'

Hoe obsessief de zoektocht van Winkler Brockhaus ook is, Büch maakt het de lezer niet makkelijk met zijn hoofdpersoon mee te leven. Door Winklers voortdurende gelamenteer verschuift de sympathie, die romans lang bij Winkler heeft gelegen, langzaamaan naar de mensen die hem niet begrijpen. Niet omdat zijn leed onbegrijpelijk zou zijn, maar omdat hij het zo breedsprakig wordt uitgemeten. en De Bocht bij Berkhey is een stuurlooze, ongestructureerde leed-collage geworden, die slechts lijkt te worden aangedreven door de gedachte dat veel leed automatisch groot leed wordt. Op de divan bij de psychiater is dat misschien een plausibele gedachte; als je er een roman van maakt blijkt die ineens pijnlijk langdradig.

    • Hans den Hartog Jager