Botha ziet geen reden voor excuus apartheid

KAAPSTAD, 22 NOV. Oud- president P.W. Botha van Zuid-Afrika meent dat hij tijdens het apartheidsregime geen misdaden heeft begaan waarvoor hij zijn verontschuldigingen zou moeten aanbieden. Hij is daarom niet van plan amnestie te vragen. Hij zegt wel toe “informeel” te willen meewerken aan het onderzoek van de Zuidafrikaanse Waarheids- en Verzoeningscommissie.

Botha, in 1989 afgetreden als president, heeft dat gisteren gezegd in een onderhoud met Desmund Tutu, voorzitter van de Waarheidscommissie. Tutu sprak na afloop van het twee uur durende gesprek, ten huize van een dochter van Botha, over “een doorbraak”, gezien de betekenis die Botha's getuigenis kan hebben voor de commissie.

Botha (80) is ervan beschuldigd betrokken te zijn geweest bij aanslagen tegen anti-Apartheidsactivisten. De vroegere leider van het doodseskader Vlakplaas, Eugene de Kock, verklaarde voor het Hooggerechtshof dat de oud-president op de hoogte was van een bloedbad dat in 1985 werd aangericht onder ANC-leden in Lesotho. Een gepensioneerd hoofdcommissaris van politie, Johan van der Merwe, zei vorige maand tegenover de Waarheidscommissie dat Botha toestemmig had gegeven voor een bomaanslag in 1988 op een gebouw in Johannesburg dat diende als hoofdkwartier van de Raad van Kerken en als kantoor van het ANC.

In een verklaring, die na het gesprek met Tutu werd vrij gegeven, ontkent Botha de aantijgingen. “Ik ben niet schuldig aan enige daad, waarvoor ik mij zou moeten verontschuldigen of waarvoor ik amnestie zou moeten vragen. Ik ben daarom ook niet van plan om dat te doen”. De Waarheidscommissie heeft de bevoegdheid amnestie te verlenen aan medeplichtigen aan misdaden ten tijde van het Apartheidsregime.

Botha verklaarde “diep bezorgd” te zijn over “de medogenloze en onvergevelijke aanval” die thans in Zuid-Afrika wordt ondernomen “op de Afrikaner”. Hij zei zich nooit te hebben ingelaten met “schaamteloze moord”. Hij erkende wel dat tijdens “het conflict in het verleden gevallen kunnen zijn geweest waarbij individuele personen de grens van hun bevoegdheden hebben overschreden. Maar “men kan niet van mij verwachten de verantwoordelijkheid op mij te nemen voor dergelijke individuen”, aldus Botha. (Reuter, AP)