Uit het schetsboek van Marc Smeets; Pastelkleurige weemoed

'Zulke oude resten hadden ze vroeger niet!'' zegt een mannetje staande bij een in detail getekende ruïne op een van de tekeningen die illustrator en striptekenaar Marc Smeets tentoonstelt in stripwinkel-galerie Lambiek in Amsterdam.

Marc Smeets, tekeningen. Stripwinkel/galerie Lambiek, Kerkstraat 78, Amsterdam. Tot begin januari, ma-vr 11-18u, za 11-17u. Inl: 020 - 626754.

De tekeningen laten een merkwaardig mengsel van strip- en landschapstekenkunst zien, vol romantische landschappen en overblijfselen van gebouwen. Ze zijn met zorg met een iets bibberend, gevoelig inktlijntje getekend, zowel de figuurtjes als hun omgeving, en vrijwel allemaal met lieflijke pasteltinten ingekleurd.

De schetsboekbladen die Smeets (Hulst, 1942) laat zien, lijken allemaal flarden van een nooit voltooid groots stripverhaal. We zien soms scènes uit merkwaardig vervreemde, oorlogsachtige situaties, die allemaal rond Venlo (Smeets' woonplaats) zijn gesitueerd. Die stripfragmenten lijken zich wat betreft hun aankleding af te spelen in de Eerste of Tweede Wereldoorlog, maar men praat over quasi-middeleeuwse strijdpunten. Zo zegt een soldaat met een groepje gevangen: “Dit zijn de schurken die de omwalling hebben doen afbreken!... Allen avonturiers, bankroutiers en entrepreneurs!”

Weemoed, een vreemde pastelkleurige weemoed naar vergane werelden, of werelden die nooit bestaan hebben, spreekt uit alle tekeningen van Smeets. Als Hergé, de tekenaar van Kuifje en een van Smeets grote voorbeelden, de meester van de stripvertelkunst is, dan is Smeets een grote stripdichter. Hij vertelt geen afgeronde verhalen, maar geeft poëtische stripfragmenten, die buitengewoon intrigerend zijn. Zijn tekeningen of kleine reeksen tekeningen met tekst, roepen verhalen of werelden op. Als dichter is Smeets duidelijk beïnvloed door 'de klare lijn' zoals Hergés tekenstijl wordt genoemd, en ook door de poëzie van de dialogen uit de oude Kuifje-vertalingen. Maar daar houdt het niet op.

Smeets schept werelden met die middelen, met zijn eigen poëtische, wat bibberende klare lijn en Herenleed-achtige tekstflarden die verder reiken dan Kuifje, die de grenzen van de strip overschrijden.

Deze tentoonstelling met ongepubliceerd werk laat een veel serieuzere kant van Smeets zien dan die we normaal zien in zijn gepubliceerde illustraties (bijvoorbeeld in deze krant): dat zijn vaak vooral humoristische prenten.

Wat op de schetsboekbladen in Lambiek opvalt is Smeets' grote interesse voor landschap en gebouwen, of beter: fragmenten van gebouwen, ruïnes, uit gesloopte woningdelen weer opnieuw inelkaar gezette bouwsels. Daarvan zijn verschillende mooi gekleurde voorbeelden te zien, soms zonder de typische stripachtige figuurtjes. Als die er wel bij staan, maken die meteen relativerende opmerkingen zoals: “Slooprijke omgeving hier” of “Ugh! Alweer ouwe kapotte gebouwen! Das ist zum kotzen!” Ondanks die relativeringen is te zien hoe Smeets zich serieus het 'programma' van de poëtische landschaptekenkunst uit de zeventiende eeuw meester aan het maken is. Compleet met de boom op de voorgrond die de suggestie van diepte versterkt. Zijn tekenstijl lijkt soms op die van de merkwaardige landschaps-etsen van Rembrandts tijdgenoot Hercules Seghers, die hij in een bijschrift 'O Segher, Aas der Azen' ook aanroept.

Er zitten werkelijk prachtige landschapjes bij, die het Rijksprentenkabinet terstond zou moeten aankopen, want Smeets werk toont dat de traditie van de prentkunst zich niet in de moderne beeldende kunst, maar via de stripkunst heeft voortgezet.

    • Paul Steenhuis