Technolease tot bodem uitzoeken

Er is nog nooit een verslag van de Algemene Rekenkamer over het uitgavenbeleid van de overheid gepubliceerd dat geen felle verweren van de regering heeft uitgelokt en ministers van woede niet in de gordijnen heeft gejaagd. Het recente rapport 'Financiële relaties met grote ondernemingen', waarin de Rekenkamer harde noten kraakt over de steunverlening aan Fokker, DAF en Nedcar, vormt daarop geen uitzondering.

Ook de schoten voor de boeg van premier Kok, die de Rekenkamer de oren wil wassen omdat zij sommige 'bedrijfsgeheimen' niet heeft ontzien, passen in die traditie, evenals de luidruchtige boosheid van minister Wijers van Economische Zaken over de kritiek van de Rekenkamer op zijn voorgangers.

Dat de minister van EZ moord en brand heeft geschreeuwd, is overigens een gezond teken. Het duidt erop dat de kritiek van de Rekenkamer op een aantal steunmaatregelen bij de regering een gevoelige snaar heeft geraakt en dat zij is aangekomen. Het markantste voorbeeld daarvan leveren de zware woorden van de minister over de technolease-passages. Technolease is de ondoorzichtige constructie waarvan Philips, Fokker en in het bijzonder de Rabobank grote, doch niet geopenbaarde fiscale voordelen hebben getrokken. Fokker gebruikte die sale and lease back-constructie in 1994 om zijn technologische kennis aan de Rabobank te verkopen en die vervolgens in huur terug te krijgen. Dat leverde Fokker een vermogensversterking van ruim vierhonderd miljoen gulden op die de noodlijdende vliegtuigenfabriek in staat stelde zijn verliezen op te vangen. De Rabobank werd er ook niet minder van. Met de nieuw verworven kennis deed ze weliswaar niets, maar het was haar ook alleen te doen om de afschrijving ten laste van de winst. Hoeveel belastingvoordeel (vermindering aanslag vennootschapsbelasting) daarmee gemoeid was, heeft de Rekenkamer niet mogen openbaren. Maar de aanduiding van een 'disproportioneel' belastingvoordeel dat de koopsom 'in zeer ruime mate overschrijdt' is veelzeggend genoeg.

Opmerkelijk zijn ook de conclusies die de president van de Rekenkamer, mr. H.E. Koning, aan de hele opzet heeft verbonden. In plaats van een schrobbering van premier Kok, die van mening is dat Koning hiermee buiten zijn boekje is gegaan, verdienen Konings conclusies nader parlementair onderzoek, op grond van een gerechtvaardigd vermoeden van oneigenlijke belangenverstrengeling.

Volgens Koning is de technolease-constructie in strijd met de wet en de fiscale jurisprudentie. De directeur-generaal der Belastingen en de staatssecretaris van Financiën vinden dat ook, maar zijn door het kabinet overruled. De deal is derhalve tegen de waarschuwingen van de belangrijkste fiscale adviseurs in doorgegaan (doorgedrukt), niet op grond van argumenten, maar van belangen.

Jammer genoeg zijn die belangen in het rapport niet bloot gelegd. De Rekenkamer doet wel enkele observaties die in een bepaalde richting wijzen, maar als ze die verder zou hebben uitgewerkt was ze op verboden terrein gekomen. Want het gaat hier om een veronderstelde politieke belangenvervlechting tussen het parlement en de banken, en dat is het politieke domein van de Kamer, waar de Rekenkamer niets te zoeken heeft.

Een aanwijzing daarvoor vinden we in een zinsnede in het rapport (blz. 39), dat de bewindslieden van Financiën er eind april 1994 op gewezen werd “dat enkele Kamerleden geraadpleegd waren door Fokker/Rabobank en dat zij aangedrongen zouden hebben op spoed ten aanzien van de technolease, omdat na de verkiezingen (3 mei 1994) de constructie wellicht niet meer zou kunnen rekenen op voldoende politieke steun”. De Rekenkamer interpreteert de gebeurtenissen niet nader, maar zelfs een vreemdeling in Jeruzalem zou hier het vermoeden krijgen dat er een verstekeling van de Rabobank met een van de regeringsfracties in de Kamer is meegevaren.

Het is bekend dat er van oudsher onduidelijke banden hebben bestaan tussen de bankwereld en de Kamer, ook tussen de Rabobank en de Kamer. Maar aangezien sommige banden geen officiële status hebben, zijn lang niet alle banden geregistreerd. Parlementaire veteranen heugen zich nog een symptomatisch incident tussen de minister van Financiën en de KVP-fractie waarbij de banden tussen de woordvoerder van de katholieke fractie en de Boerenleenbank tijdens de behandeling van de Wet Toezicht Kredietwezen 1978 een rol speelden.

Minister Duisenberg bemerkte eerst tot zijn ongenoegen dat hij in de tweede termijn met andere argumenten bestreden werd dan in de eerste termijn en ontdekte vervolgens tot zijn verontwaardiging dat de KVP-woordvoerder Van Amelsvoort (regeringscoalitie) achter de groene gordijnen nieuwe informatie van 'zijn' bank had gekregen. Diens 'informele' adviseursfunctie bij de bank was tot dan toe aan de regering noch aan de Kamer bekend. De woordvoerder was vóór zijn benoeming tot lid van de Kamer afdelingsdirecteur van de Boerenleenbank geweest en was in zijn parlementaire betrekking 'zoals te doen gebruikelijk' met zijn oude bank verbonden gebleven. Het verhinderde hem niet om in de volgende parlementaire periode op te klimmen tot staatssecretaris van Financiën.

    • Harry van Wijnen