Selectie topcentra wordt wespennest

Het compromis over het wetenschapsbudget rammelt, aldus J.J.M. Beenakker. Het zal uitdraaien op veel geruzie over de selectie van topcentra. Beter is getalenteerde onderzoekers over te hevelen naar de NWO.

In de relatie van de overheid tot het Nederlandse universitaire onderzoekscircuit zijn er enkele kwesties die steeds weer opduiken. Eén daarvan is de overheveling van gelden uit het universitaire budget naar de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Dit punt wordt sinds 1979 steeds opnieuw aan de orde gesteld, hetzij vanuit het parlement, hetzij bij het aantreden van een nieuwe regeringsploeg.

De universiteiten betoogden aanvankelijk dat dit strijdig was met hun autonomie, dat zij zelf wel voor de kwaliteitsbewaking konden zorgen. De laatste tijd gold als belangrijkste bezwaar, dat overheveling - ook al zou er reden voor zijn, quod non - niet realiseerbaar was gezien de precaire toestand van de universitaire financiën. Reeds nu, zo betogen de hogescholen, vertonen de meeste universitaire begrotingen een groot tekort en dreigen er gedwongen ontslagen.

Waarom deze aanhoudende voorkeur voor een grotere rol van de NWO in het universitaire onderzoeksbeleid? Niet omdat de universiteiten met hun onderzoek geen waar voor hun geld bieden. Er zijn twee factoren die hun beleidsruimte sterk inperken. Universitair beleid blijft vrijwel altijd beperkt tot lokaal beleid. De afwezigheid van een wettelijke status van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) maakt deze organisatie tot een consensusverband.

De universiteiten zijn op veel punten elkaars concurrenten en dat in een precaire financiële situatie. Eenmaal genomen besluiten die de belangen van één of meer partners schaden, worden niet uitgevoerd. Deze situatie zal zich ook voordoen bij pogingen tot een effectiever beheer van de onderzoeksgelden.

Er is nog een tweede kant aan dit probleem. C.P. Snow schrijft in een van zijn romans: “Laboratoria zijn plaatsen waar mensen samen oud worden.” Dat geldt niet alleen voor laboratoria, maar voor vrijwel alle universitaire eenheden. Wil de sfeer daar leefbaar blijven, dan zoekt elk beleid naar een optimum tussen de noodzakelijke collegialiteit en solidariteit en wat het beste is voor het onderzoek. Er zijn dus sterke argumenten voor een externe instantie die tracht landelijk het hoogste rendement van het onderzoeksbudget te realiseren. In Nederland is dit de NWO.

De budgettaire situatie van de NWO is echter geheel anders dan die van vergelijkbare instellingen in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië, waar 25 tot 70 procent van het universitaire onderzoek langs die lijn wordt gefinancierd.

Zoals gezegd, alle voornemens tot overheveling zijn tot nu toe bij voornemens gebleven. Deze zomer leek hierin verandering te komen. Gesteund door de conclusies van een evaluatie van de NWO door een commissie onder leiding van Rinnooy Kan, besloot de minister een bedrag van ongeveer 80 miljoen gulden uit de universitaire budgetten over te hevelen naar de NWO. Alvorens dat te realiseren via zijn wetenschapsbudget besloot de minister partijen te horen. Het overleg deze zomer tussen de voorzitters van de NWO, de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en de VSNU resulteerde in een voorstel aan de minister.

Om een lang verhaal kort te maken, de overheveling is van de baan, maar de NWO krijgt tot taak een tiental onderzoeksscholen of instituten te selecteren die kunnen uitgroeien tot internationale topcentra. Hiervoor is binnen het NWObudget 100 miljoen gulden gereserveerd.

Daarnaast krijgt de NWO een adviserende taak, wederom in de sector onderzoeksscholen. Ook hier gaat het om een bedrag van 100 miljoen uit het universitaire budget. De voorstellen komen van de universiteiten en de NWO adviseert. Op het eerste gezicht een aantrekkelijke oplossing.

Ik zal hier niet ingaan op de problematiek van de selectie of de advisering. DeNWO heeft de nodige ervaring in kwaliteitsselectie, maar voldoet maar zeer ten dele aan de andere voorwaarden die de minister stelt bij de selectie van de top-tien.

Het probleem ligt echter ergens anders. Als topscholen moeten tien centra worden gekozen in een landschap dat het karakter heeft van een hoogland. De selectie start met ongeveer honderd scholen gespreid over dertien universiteiten en een aantal instituten. Zo'n operatie eindigt noodgedwongen in een politieke beslissing.

De NWO raakt aldus verstrikt in het netwerk van de interuniversitaire politiek. Sommigen prefereren de term 'wespennest'. De waarschijnlijkste uitkomst is veel gepalaver, geruzie, uiteindelijk resulterend in een cosmetische operatie die alle kolen en geiten spaart. De NWO is met dit plan niet gebaat, integendeel, ze wordt er ernstig door beschadigd.

Is er dan geen andere oplossing? Hebben de universiteiten echt gelijk dat overheveling niet kan? Dit is niet het geval, er is wel degelijk ruimte tot een bedrag van rond 200 miljoen in vier à vijf jaar. De universiteiten hebben namelijk een vlottende bevolking van rond vijfduizend assistenten in opleiding - jonge doctorandi die zich in vier à vijf jaar voorbereiden op een promotie. Hun salaris/beurs drukt op de universitaire begroting voor het genoemde bedrag. Dit komt over een periode van vier tot vijf jaar vrij. Overheveling van de vrijgekomen posities naar de NWO met behoud van disciplinaire kleur tast de universitaire begroting niet rechtstreeks aan. De wetenschappelijke staf kan op de gebruikelijke wijze meedingen naar die plaatsen in een landelijke competitie.

Voor de NWO is het voordeel dat ze blijft op het terrein waar ze expertise heeft. Tot nu toe heeft de organisatie zo'n 1.700 promovendi in dienst, van wie ongeveer de helft in de bèta-sector. Door deze overheveling met behoud van kleur krijgt ze voldoende omvang voor operaties in andere gebieden, waar ze nu te zwak is.

De universiteiten behouden hun volledige autonomie bij de keuze van gebieden die zij willen ondersteunen met mankracht en infrastructuur. De goede onderwijsscholen komen vanzelf als winnaars uit de nationale competitie tevoorschijn. Dit plan wordt aangenomen voor een periode van vijf jaar en daarna geëvalueerd.

Natuurlijk kent ook dit voorstel zijn problemen. Zij lijken echter niet gecompliceerder dan die in het ministeriële voorstel.