Princeton en de andere

Dit jaar viert de Universiteit van Princeton haar tweehonderdvijftigjarig bestaan. Dat gaat, zoals het hoort, gepaard met veel feestelijkheden. Ik werd uitgenodigd aan enkele daarvan deel te nemen en dat was een uitnodiging die ik niet alleen om zakelijke, maar vooral om persoonlijke, nostalgische, redenen gaarne aanvaardde. Wij brachten vijftien jaar geleden een bijzonder aangenaam jaar door in Princeton en het was goed, na zoveel jaar, even terug te zijn.

Tweehonderdvijftig jaar is voor Amerika, waar alles jong is, een respectabele leeftijd, maar het is toch ook weer niet erg oud. Harvard, de moeder van alle Amerikaanse universiteiten - de éminence grise zullen wij maar zeggen - stamt uit 1636, net als de universiteit van Utrecht bij ons. En dat is ook al weer niet zo erg oud, vergeleken bij vele Europese en zelfs een enkele Nederlandse universiteit.

Ouderdom is tegenwoordig alleen nog maar respectabel voor wijnen, schilderijen en universiteiten. Het geeft aan deze laatste een zeker prestige, maar op zich zelf zegt het natuurlijk niets. Er zijn genoeg oude universiteiten waaraan je je kind niet graag zou toevertrouwen. Het gaat natuurlijk ook niet om de leeftijd, maar om de kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Zoals bekend, verschillen de Amerikaanse universiteiten - in tegenstelling tot de Nederlandse - in dit opzicht als dag en nacht. Daarom zijn de vergelijkingen met Amerikaanse top-universiteiten als Yale, Chicago, Berkeley, Stanford, Princeton en Harvard die velen thans graag maken zinloos. Die universiteiten vormen de top van een gigantische piramide, maar die piramide bestaat in Nederland helemaal niet. De grote meerderheid van de vele beroemde Amerikaanse geleerden werkt inderdaad aan een van deze top-instellingen. In dat opzicht lijken zij dus alle op elkaar, maar er is toch een groot verschil tussen Princeton en de overige. Bij de andere ligt het accent op de graduate-opleiding, die in Amerika volgt op de eerste fase, het college. De wereldberoemde professoren en geleerden die aan deze instellingen zijn verbonden, richten zich vooral op research en op de Ph.D.-studenten die zij daarvoor opleiden. (Daarnaast zijn er natuurlijk de beroemde Law Schools en Business Schools, maar daar wordt niet de wetenschap aanbeden, doch de mammon). De gewone student ziet die beroemdheden nooit.

Deze ontwikkeling is thans ook in Nederland te zien, waar naar Amerikaans voorbeeld tegenwoordig na de eerste fase voor een aantal gelukkigen, of althans uitverkorenen, een tweede fase bestaat. Het onderwijs geven aan deze gevorderde en geselecteerde studenten wordt ook hier door velen als aantrekkelijker, interessanter en vooral prestigieuzer beschouwd dan het 'gewone werk'. Als deze ontwikkeling doorzet, zullen ook hier de prominente professoren voor de gewone studenten invisible men worden. Ik haast mij overigens te zeggen dat dit thans nog niet het geval is, in ieder geval niet bij de enige opleiding die ik goed ken, geschiedenis in Leiden, maar ook niet op de meeste andere plaatsen, geloof ik. In Princeton - en daarin is het uniek - is dat ook zo. De vele beroemde geleerden van deze universiteit besteden een groot deel van hun tijd aan de opleiding van de gewone studenten, de undergraduates. Zo bestaat er een seminar voor geschiedenisstudenten dat gegeven wordt door de beroemde historicus Robert Darnton tezamen met de nog beroemdere en in ieder geval nog invloedrijkere antropoloog Clifford Geertz. De lezer die in het serail is ingevoerd, zal nu wellicht opmerken: Dat klopt niet, want die Geertz werkt helemaal niet aan de universiteit, maar aan het Institute for Advanced Study en dat is weliswaar ook in Princeton te vinden, maar het staat los van de universiteit. Die lezer heeft gelijk, althans wat het laatste betreft. Maar Geertz vindt het, zoals wel meer professoren, leuk om contact met studenten te hebben en geeft daarom graag dat seminar. Het feit dat Princeton twee vermaarde instellingen huisvest, de universiteit en het Institute for Advanced Study, is dus voordelig voor beide partijen maar geeft ook vaak aanleiding tot verwarring, temeer waar niet direct duidelijk is wat dat instituut nu eigenlijk doet. Een universiteit, dat is iets dat wij kennen, maar een Institute for Advanced Study, wat moeten wij ons daarbij voorstellen?

Het instituut in Princeton dankt zijn ontstaan aan drie factoren: het fortuin en de generositeit van de familie Bamberger, de visie van Abraham Flexner en het antisemitisme van Hitler. De Bambergers hadden fortuin gemaakt met een warenhuisketen in New Jersey. Zij wilden iets terugdoen voor de gemeenschap. Zoals zoveel filantropen dachten zij in eerste instantie aan iets medisch. Daarom namen zij contact op met Flexner, een toen bekende educationalist en hervormer van de medische faculteiten. Deze bracht hen op een andere gedachte, die van een Institute for Advanced Study, een plaats waar men zich uitsluitend aan de zuivere wetenschap wijdt, zonder studenten, examens en andere verplichtingen. Zo ontstond het instituut. Dat het vrijwel onmiddellijk een wereldnaam kreeg, kwam door de emigratie van vele joodse geleerden die in de jaren dertig om bekende redenen Europa verlieten. Einstein was natuurlijk van hen de beroemdste.

Het instituut in Princeton is thans niet meer het enige in zijn soort. Er zijn er een aantal op gevolgd. Maar Princeton blijft om een paar redenen uniek. In de eerste plaats vanwege zijn enorme rijkdom, in de tweede plaats omdat het naast een groot aantal jaarlijkse bezoekers ook een vaste staf van zo'n twintig zeer vooraanstaande professoren kent en ten slotte omdat het zich vooral wijdt aan de wis- en natuurkunde. De andere instituten die Princeton zijn nagevolgd, zijn minder rijk, hebben geen vaste staf en richten zich, vooral om financiële en praktische redenen, vrijwel uitsluitend op de sociale en geesteswetenschappen.

Zo'n instituut bestaat ook in Nederland, het Netherlands Institute for Advanced Study in Wassenaar. Het vierde onlangs zijn vijfentwintigjarig bestaan. Sindsdien zijn er ook in Europa nog een paar van dergelijke instituten bijgekomen. Zij voorzien kennelijk in een behoefte. Dat komt door de schaalvergroting van het wetenschappelijk onderwijs. Ook in Europa is het Amerikaanse voorbeeld van hoger onderwijs voor velen en het daarbij behorende opleidingsmodel ten slotte aanvaard. Het al even Amerikaanse concept van het Institute for Advanced Study past goed bij dit nieuwe stelsel. Zo profiteert de oude wereld van de ideeën en vernieuwingszin van de nieuwe.

    • H.L. Wesseling