Oudste bomen van Nederland ontdekt

Bij baggerwerkzaamheden in de Waal zijn twintig hele en halve eiken uit de oertijd ontdekt. Ze overtreffen alle eerdere vondsten in ouderdom.

KEKERDOM, 21 NOV. Een opmerkelijk tafereeltje in de Millingerwaard bij Kekerdom achter Nijmegen: enkele koniks, een klein formaat paarden van Poolse origine, knagen aan de pikzwarte resten van een stel eiken uit de oertijd. De koniks zijn hier enkele jaren geleden door het Wereldnatuurfonds uitgezet om de uiterwaard te begrazen; de eiken, naar schatting 8.400 jaar oud, werden onlangs bij baggerwerkzaamheden opgedolven uit de nabijgelegen Waal. Een vondst van belang, melden deskundigen. Tot nu toe gold een eik uit het Gooimeer met een leeftijd van 8.000 jaar als de oudste van Nederland.

Het is grotendeels aan toeval te danken dat de bomen in de Millingerwaard voor bezichtiging en wetenschappelijke inspectie beschikbaar zijn. Rijkswaterstaat had de twintig hele en halve stammen bestemd voor de vuilstort, net als in 1989, toen hier soortgelijk materiaal naar boven kwam, maar een medewerker van de stichting Ark (toegepast onderzoek naar rivier- en beekdalsystemen) had er lucht van gekregen en wist de gang naar de belt te verhoeden.

De bomen liggen nu op een opgehoogd terrein in de uiterwaard, behorend bij een steenfabriek. “Hopelijk kunnen ze hier blijven als voorbeeld van het vroegere ooibos”, zegt F. Vera van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, maar dat staat nog niet vast.

De stammen variëren in omvang. De grootste is twaalf meter lang en de dikste heeft een doorsnee van anderhalve meter. Van één boom is een monster genomen en naar de universiteit van Groningen gestuurd om zijn ouderdom te bepalen volgens de zogeheten koolstof- of C-14-methode. Dat leverde het getal van 8.400 jaar op, wat betekent dat deze eik in het geologische tijdperk boreaal tot wasdom is gekomen. Maar de datering kan nog exacter en daarvoor is het Nederlands Centrum voor Dendrochronologie in Amersfoort ingeschakeld. “Met onze methode”, vertelt mevrouw E. Hanraets, analist bij het centrum, “is de leeftijd op het jaar nauwkeurig vast te stellen.”

Volgens haar is de zwarte verkleuring van de bomen geen gevolg van brand, maar het resultaat van chemische processen onder water. De stammen of brokstukken geven ook niet af, zoals houtskool doet, en blijken zelfs voor paarden nog het beknabbelen waard. Waar de bomen vandaan komen, is nog onduidelijk. Ze kunnen met de stroom uit Duitsland zijn meegevoerd, maar ook in een grijs verleden ter plaatse in het rivierbed zijn “begraven”.

Dat de vondst juist bij de Millingerwaard werd gedaan, is een gelukkige omstandigheid, omdat dit gebied, onderdeel van de Ooijpolder, een voorbeeldterrein is voor natuurontwikkeling. Het Wereldnatuurfonds en Staatsbosbeheer zijn hier druk bezig nieuwe natuur te scheppen op voormalige, uit produktie genomen landbouwgrond. Dat gebeurt op basis van het plan-Ooievaar en het vervolgrapport 'Levende Rivieren', waarvan F. Vera een van de opstellers was. “Dode resten van oeroud ooibos vormen een fraaie aanvulling op het levende bos, zoals dat nu tot ontwikkeling komt”, is zijn stelling. Hoe dat ooibos er vóór onze jaartelling uitzag, is voor hem geen vraag. Uit diverse onderzoeksgegevens leidt hij af dat er sprake was van boomgroepen, afgewisseld door weiland, waar oerrunderen vrijelijk graasden. De recente vondst versterkt hem in die opvatting. Bij ten minste één van de bomen zijn de takaanzetten zo laag, dat hij in het vrije veld moet zijn opgegroeid. Ook dit zou wijzen op begrazing, dat wil zeggen op een open in plaats van gesloten bos langs de Nederlandse rivieren.

Behalve de bomen heeft Rijkswaterstaat ook brokstukken van oude muren opgebaggerd en aan de kant gelegd. Gelet op de afmetingen - circa één meter dik en hoog - zijn het waarschijnlijk muurresten van een kasteel dat ooit in de bocht bij Erlecom heeft gestaan en door de rivier is verzwolgen. Hiervoor hebben de dendrologische experts en natuurbeschermers minder aandacht, maar ook deze resten blijven voorlopig liggen ter wille van de archeologen.

    • F.G. de Ruiter