Moraal moet worden aangeleerd

Soms kan het ineens tot je doordringen hoe broos de beschaving is, want hoezeer gestoeld op afspraken die met geen mogelijkheid dwingend opgelegd kunnen worden. Hoe zou je over straat moeten lopen als niet alleen een enkele zakkenroller, maar vrijwel iedereen die groter en sterker is het op je portemonnee voorzien zou hebben? En dan is het alleen nog maar je portemonnee.

Iedereen kent verhalen van mensen die 's avonds na uit geweest te zijn naar hun auto lopen en daar een groepje jongens omheen aantreffen die beweren dat ze op deze auto hebben gepast waarvoor ze nu geld wensen te ontvangen. Daar is weinig tegen te beginnen. Het enige wat helpt, in het algemeen, is ervoor te zorgen dat mensen zoveel moreel besef hebben dat ze niet willen afpersen, slaan, stelen etc. en, nog een stapje verder, dat ze behulpzaam willen zijn, willen delen, iets voor een ander over willen hebben. Dat zal nooit bij iedereen lukken, maar het leven blijft leefbaar doordat het bij de meeste mensen wel lukt.

In Engeland vraagt men zich af of dat laatste nog wel het geval is, of de morele opvoeding zoals die plaatsvindt niet totaal ontoereikend is geworden. Kort geleden staakte het onderwijzend personeel van een paar scholen omdat de leerlingen te gevaarlijk en te agressief waren om nog langer les aan te geven. Blijkbaar hebben die kinderen helemaal niet het gevoel dat je sommige dingen niet doet omdat je ze nu eenmaal niet doet, omdat het onbehoorlijk, onaardig, agressief, verwerpelijk is om te doen. Kan ze niks schelen.

De regering-Major liet een commissie zich erover buigen en die kwam met een 'verklaring van gemeenschappelijke waarden' die de schooljeugd uit het hoofd zou moeten leren. In Trouw verscheen daar de volgende vertaling van: “Wij waarderen iedere persoon als een uniek wezen met intrinsieke waarde en met het vermogen tot geestelijke, morele, intellectuele en lichamelijke ontwikkeling en verandering.”

Onlangs werden een paar agressieve jeugdbendeleden in deze krant aan het woord gelaten over het waarom van hun daden. Ze verklaarden dat het 'gewoon een kick' gaf om iemand in elkaar te slaan. Ze ervoeren een heerlijk gevoel van macht als ze iemand bloedend en hulpeloos op de grond zagen liggen. In het maandblad Psychologie zei een vijftienjarige jongen dat hij helemaal niet inzag waarom hij aardig zou zijn tegen anderen of wat voor ze zou doen, want hij wist zeker dat het omgekeerd ook niet zou gebeuren. Toen hij had gezien hoe een vriend op het hoofd van een liggende man sprong had hij dat wel 'goor' gevonden, maar toch geen reden tot een heroverweging van zijn levenswijze, laat staan tot ingrijpen of iets dergelijks.

Je ziet zo'n jongen al in de klas braaf zitten opdreunen: “Wij hechten waarde aan waarheid, mensenrechten, de wet, gerechtigheid en aan collectieve inspanning ten bate van het algemeen welzijn van de samenleving”. Ten eerste hecht hij er in het geheel geen waarde aan, ten tweede gaat de formulering ongetwijfeld boven de pet van menige vijftienjarige en ten derde zou iemand van vijftien al die dingen in andere taal gesteld al lang moeten weten en vinden.

Het debat over de grondslagen van de moraal dat in deze krant zo uitgebreid gevoerd is, is natuurlijk interessant, maar welke opvatting men ook is toegedaan, of de moraal nu christelijk van oorsprong is of niet, er moet in ieder geval een moraal zijn. En moraal is niet aangeboren, maar aangeleerd. Als hij goed is aangeleerd dan wil men er niet meer tegenin gaan omdat dat zo'n ellendig gevoel geeft. Niet omdat een politieman, of God, controleert of men zich wel netjes gedraagt. Zou het waar zijn dat in deze 'post-christelijke' tijd de moraal veel minder aandacht krijgt dan vroeger?

Eveneens in Trouw werd Peter Beaumont, redacteur van The Observer, geciteerd, die uitlegde waarom hij zijn kinderen, ondanks zijn ongeloof, naar een christelijke school had gestuurd. Hij schreef: “De nieuwe geseculariseerde samenleving heeft geen eigen manier gevonden om inhoud te geven aan begrippen als plicht en geweten. In plaats daarvan heerst de overtuiging dat individueel 'geluk' een doel in zichzelf is. En dáár zit ik over in, niet over geweld op de televisie, seks of drugs. Godsdienst kan je opvoeden tot anti-egoïsme.”

Hij verwoordt een gevoel dat menigeen zal herkennen, maar waarbij men zich liever niet zou willen neerleggen. Het is wat armoedig om ineens terug te grijpen naar de godsdienst als hulp-onderwijzer. Het zou toch mogelijk moeten zijn om ook in een geseculariseerde samenleving de woorden 'plicht' en 'geweten' nog iets te laten betekenen.

Dat kan ook wel. Onlangs zag ik in een lagere school allemaal tekeningen hangen die door de leerlingen gemaakt waren bij door de school uitgevaardigde gedragsregels. Je zag hoe een kind een ander kind overeind hielp dat was gevallen, je zag ze samen spelen op klimrekken, je zag een klein mannetje een ander klein mannetje pesten en een derde dat toeschoot, alles in onbeholpen plak-, knip- en tekenwerk. Het leek een schitterend alternatief voor dat veel te plechtstatige Engelse manifest. Misschien moeten wij maar eens elke ochtend collectief die lagere-schoolregels gaan opdreunen. Ze zijn alomvattend: 'We helpen elkaar.' 'We pesten niet mee.' 'We laten niemand in de steek.'

    • Marjoleine de Vos