Lessen in uitschrijven

Jonge documentairemakers kunnen jaarlijks een prijs winnen voor het beste scenario. Advies: 'Je moet in elke documentaire gaan zitten.'

SCHUIN VAN ONDER zien we de man. Hij hamert een stok met een rode wimpel eraan de aarde in. Het veld waarin hij staat, zo zien we later, is bezaaid met deze rode wimpels. Het is een beeld uit de iconografie van een verleden Holland. Mannen van stavast. Aanpakken. Opbouwen.

We kennen die beelden zo goed doordat ze werden vastgelegd in de gloriedagen van de Nederlandse documentaire. Door filmers als Joris Ivens, Bert Haanstra, Herman van der Horst of Theo van Haren Noman. Films als Zuiderzee, Een leger van gehouwen steen, Dijkbouw, Prijs de zee en Houen Zo! zitten er vol mee. Op buitenlandse festivals deden ze het altijd goed. En steeds was daar wel een criticus die de vergelijking met de schilderkunst van de Gouden Eeuw aandurfde. De wijde luchten. Het spiegelende water. Dat licht!.

Maar de diagonale man met zijn rode wimpels is van de jaren negentig. Hij is deze zomer gefilmd door Eugenie Jansen en Albert Elings, twee documentairemakers van 31 jaar oud. Van Bert Haanstra en Joris Ivens hebben ze natuurlijk wel gehoord en ze kunnen zich de associatie ook wel voorstellen, maar ze hebben die niet bewust opgeroepen. Hun film, Vogelvrij, past niet in een 'Hollandse school', vinden ze. Ze zien de gelijkenis wel, maar ze voelen geen verwantschap.

Jansen en Elings leggen op een zolder in Amsterdam de laatste hand aan hun film. Vogelvrij moet op 29 november, tijdens IDFA, in première gaan. Het gaat over de eeuwenlange strijd tussen mens en vogel, zegt Elings, en hij legt een flinke dosis dramatiek in zijn stem. Ze lachen alletwee keihard, maar denk niet dat ze hun film niet serieus nemen. Op de muur boven de snijtafel hangt een reeks ansichtkaarten en foto's van vogels en vogelverschrikkers. Jansen en Elings hebben zich het onderwerp eigen gemaakt met een grondigheid waarvoor een ornitholoog zich niet zou hoeven schamen. “Het tonnage vogelvlees per kubieke meter luchtruim neemt toe”, zo citeert Elings de bevindingen van de tweejaarlijks vergaderende Bird Strike Committee Europe. Daar hoeft hij het vuistdikke vergaderverslag niet voor op te slaan. “Je moet in elke documentaire gaan zitten”, vindt Jansen. “Anders ben je geen goeie.”

Jansen en Elings zijn zo'n drie jaar geleden in deze film gaan zitten. In 1994 'won' Vogelvrij de prijs voor het beste scenario uit de workshop die IDFA jaarlijks organiseert. En winnen wil in dit verband zeggen dat hun film een 'realiseringsprijs' heeft gekregen van het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties (ƒ 275.000) en dat het resultaat “zal worden uitgezonden door een van de publieke zendgemachtigden” - in het geval van Vogelvrij door NPS.

De scenario-workshop, die dit jaar voor de zevende keer wordt gegeven, is bedoeld om jonge documentairemakers een duwtje in de rug te geven, aldus begeleider Jolanda Kralenbeek. De tien uitverkoren deelnemers (1996 zag 54 aanmeldingen) moeten 'enige professionele ervaring' hebben, maar mogen niet meer dan twee projecten hebben gemaakt in opdracht of met subsidie van een van de filmfondsen. Op de openingsavond van IDFA wordt de winnaar van de workshop van dit jaar bekendgemaakt.

In twaalf bijeenkomsten begeleidt een ervaren documentarist hen bij de research voor hun onderwerp en het schrijven van een uitgewerkt scenario. Vorig jaar was Pieter Verhoeff verantwoordelijk voor de cursus. “Ze leren vooral te formuleren waarover ze het willen hebben.” En hij bedoelt het letterlijk: punten en komma's veranderen, zorgen dat een bruikbaar idee ook leesbaar wordt, dat het overkomt. Want, en dat is misschien wel de allerbelangrijkste halfverscholen leerstelling van deze workshop (en ook, blijkt, van de documentaire-cursus aan de Media-academie in Hilversum): een scenario dient vooral als toegangsbiljet tot het kasloket.

De rol van een scenario bij een documentaire is heel anders dan die bij een speelfilm. Daar is het de blauwdruk voor het eindresultaat en wordt soms tot de laatste letter uitgevoerd. Een documentaire kan nog zo goed worden voorbereid, ze moet altijd ruimte openhouden voor de wispelturige werkelijkheid. Toch leert documentariste Hedda van Gennep haar cursisten op de Media-academie het scenario “helemaal uit te schrijven” tot complete sequenties aan toe. “Je maakt eerst een structuur om 'm daarna los te kunnen laten”, is haar stelling. Maar ze vervolgt: “Je moet het sowieso uitschrijven, anders krijg je geen geld.”

Het scenario schrijf je voor de subsidiegever, zegt Jansen. “Wij hebben wel vier verschillende geschreven”, aldus Elings. “Dat begon al bij het synopsis, de opzet. Een voor het Wilhelminafonds, een voor de omroep, een voor het Stimuleringsfonds, en nog een. Uiteindelijk hebben we gewoon gefilmd wat we wilden.” De workshop was voor hen niet zozeer een plek om hun scenario te maken en bij te slijpen als wel een “stok achter de deur om onze film eindelijk eens af te maken”. “Het scenario is een stukje papier dat anderen moeten lezen om te weten of het een goede film wordt”, volgens Verhoeff. “Daar zit een hoop bedrog bij. Maar zinnig is het natuurlijk wel om goed na te denken over wat je aan het doen bent.”

Net als bij de speelfilm zijn de documentairemakers afhankelijk van subsidiefondsen. Meer nog. Speelfilms worden nog wel eens met risicodragend kapitaal gefinancierd. Dat biedt de makers de gelegenheid uit te wijken naar particuliere geldschieters. Maar de bijzondere financieringstechnieken van de film Zusje (waarvan vooraf aandelen werden verkocht) of, langer geleden, Maria (waarvan vooraf de toegangskaartjes werden verkocht) zijn geen bruikbare alternatieven voor even eigenzinnige documentairemakers. Er is zelden sprake van een bioscoopvertoning (dus ook niet van kaartjes) en weinig ondernemers zullen winstverwachtingen koesteren van een documentaire.

Zo blijven de makers aangewezen op de geldpotten van vooral het Filmfonds, van het Stimuleringsfonds, of van de omroepen. De meeste documentaires halen de bioscoop nooit, al moet worden gezegd dat een flink aantal juist de afgelopen jaren de barrière overtuigend heeft geslecht. Filmers als Niek Koppen, Jos de Putter en Bernie IJdis hebben hun documentaires in roulement zien gaan. Maar zij blijven uitzonderingen. De televisie is de eindbestemming van de meeste documentaires.

Wie een blik werpt in de televisiegids, zou zeggen: dan is er dus werk zat voor al die filmers. Er zijn nog nooit zoveel Nederlandse zenders geweest. Was het maar waar, zeggen de documentairemakers. Er zijn maar weinig omroepen in documentaires geïnteresseerd. Van Gennep somt ze op: de Humanistische Omroepstichting, IKON, NCRV, NPS, KRO en VPRO. “En je wordt niet goed als je hoort hoelang Niek Koppen erover heeft gedaan een omroep te vinden voor zijn Slag in de Javazee.” Dat was dan wel voordat hij met die documentaire een Gouden Kalf won.

Het heeft Jansen en Elings een jaar gekost om een omroep voor hun idee te interesseren, dat was het langdurigste onderdeel van hun produktie. Elings: “Elke documentairerubriek heeft een eigen format. Bij de ene heet het: interessant, maar wij doen alleen human interest, de andere zegt: mooi, maar wij doen alleen cultuur. Zembla heeft alleen actuele reportages. Omroepen hebben geen plek voor losse documentaires.”

Als Van Gennep zegt dat de televisie het perspectief is voor de meeste jonge documentairemakers, bedoelt ze de hele breedte “tussen Zembla en De slag in de Javazee”. “Sommigen zullen na de opleiding journalist worden, anderen gaan verder naar hun eigen film.” Elings heeft zich al een positie verworven bij verschillende omroepen, Jansen heeft niet veel meer televisie gemaakt dan een stukje over de Betuwelijn voor het VPRO-programma Waskracht. “We gingen met stop-motion het traject langs, dwars door huizen en mensen heen. Af en toe stopten we even en dan lieten we iemand iets zeggen over die plek. Een minuut of acht duurde het.” Was dat een documentaire of een reportage? Jansen haalt haar schouders op. Het onderscheid maakt ze wel. Bij de verschillende opleidingen onderstrepen ze het steeds: in de documentaire is de maker aanwezig, zijn visie spreekt uit elk beeld; de reportage is een illustratie.

Maar of ze die acht minuten in het programma Waskracht een documentaire moet noemen of een reportage? “Het was een filmpje.”

    • Bas Blokker