'Katholieke leerlingen in verlegenheid door hindoe-feest'

LEIDEN, 21 NOV. Ze zouden geesten en demonen hebben aanbeden; de kinderen van de katholieke basisschool St. Gerardus Majella in Hoogezand. De Leidse rechtsfilosoof B. C. Labuschagne wil dat zo niet noemen, maar vindt het wel “uiterst merkwaardig” dat de kinderen vorige week donderdag moesten deelnemen aan het Divali-feest, het hindoestaanse feest van het licht. “Daardoor zijn de kinderen van katholieke ouders in een moeilijke positie gebracht.”

Op de katholieke basisschool ontstond een rel toen secretaris J. Bos van het schoolbestuur de viering van het Divali-feest in een huis-aan-huis blad aankaartte. Daarin sprak hij van “het aabidden van geesten en demonen”. De uitleg van schooldirecteur Bolwijn-Peper - “De kinderen doen slechts een dansje in een kring en maken een knieval voor een lichtje” - mocht niet baten. Sommige ouders hielden hun kinderen donderdag thuis en de secretaris stapte uit het bestuur.

Rechtsfilosoof Labuschagne kan zich de reactie van de katholieke ouders goed voorstellen - ook al pleit hij in zijn vorig jaar verschenen proefschrift 'Godsdienstvrijheid en niet-gevestigde religies' voor een ruimere tolerantie voor het belijden van niet-christelijke godsdiensten in Nederland. “Ouders hebben vanuit een katholieke overtuiging voor deze basisschool gekozen”, zegt Labuschagne. “Je kunt hun kinderen dan niet verplichten aan een ander geloof deel te nemen.”

De directeur van de school liet weten dat zij alleen recht had willen doen aan alle gelovige mensen. Labuschagne begrijpt die goede bedoelingen, “maar dan kan zij beter naar een interreligieuze school gaan”. Hij vindt het besluit onverstandig. “De hindoestaanse ouders hebben immers zelf besloten hun kinderen naar deze katholieke basisschool te sturen en kunnen zich blijkbaar vinden in de opvattingen die daar gelden.” Dan hoeft de school volgens Labuschagne niet nog eens tegemoet te komen aan hindoestaanse gebruiken.

Het bijzonder onderwijs is bij uitstek de plaats waar ouders hun normen en waarden stellen. Slechts weinigen hebben zich daarmee te bemoeien, meent Labuschagne - in tegenstelling tot het bedrijfsleven, waar overheid en rechter zich wel uitspreken over godsdiensttwisten. Als voorbeeld noemt de rechtsfilosoof het Suikerarrest van de Hoge Raad uit 1984. De Hoge Raad bepaalde toen dat moslims een dag vrij mogen nemen om het einde van de vastenmaand Ramadan te vieren, “tenzij het bedrijfsbelang dit in hoge mate verhindert”.

De rechter buigt zich ook regelmatig over kledingvoorschriften, meestal met betrekking tot hoofddoeken en tulbanden. Zo vocht een gerant van een Amsterdams hotel met succes zijn ontslag aan. De gerant was ontslagen nadat hij had besloten een tulband te dragen en een baard te laten staan. In Engeland gaan rechters nog verder, vertelt Labuschagne. “Daar kunnen sikhs motorrijden zonder helm, opdat ze hun tulband niet hoeven af te zetten.”

Labuschagne noemt godsdiensttwisten 'akelige kwesties'. “Het ontaardt zo snel in 'zij' en 'wij'.” Maar respect, zegt hij, kun je niet afdwingen. “Dan is het geen respect.” De leiding van de katholieke basisschool St. Gerardus Majella in Hoogezand had beter de hindoestaanse gemeenschap kunnen uitnodigingen 'iets' aan het Divali-feest te doen. De kinderen hadden dan op vrijwillige basis aan de festiviteiten kunnen deelnemen en deze commotie had vermeden kunnen worden. “Dan was het feest daadwerkelijk een ontmoeting met een andere religieuze overtuiging geweest”, aldus Labuschagne.