In Liefde Bloeyende

't Gauwe miertje

Gauwe miertjes, Kleyne diertjes

Groote meesters van den mensch!

U te prijzen Met den wijzen

Is mijn welberaden wensch.

Gaet, luyaerden! Ziet na d'aerde

Die 't ten Hemel niet en lust

En zult leeren Distingueeren

Tijd van arbeyd en van rust.

t'Zomers gaet het, Lost het, laedt het

Kleyne Miertje, wijs en vroed

Daervan 't in de Koude winden

Van December leven moet

Als de kreklen, Die op steklen

't Zomerweer verzingen dwaes

Moeten derven, Moeten sterven

By gebrek van winter-aes.

Ziet ze handlen, Ziet ze wandlen

Ziet ze lopen gins en weer;

Ziet ze slijten, Ziet ze splijten

't Marmer met haer voetjes teer;

Even wakker Nae den akker

Even vlytig van den roof

Die haer pootjes, zonder kootjes

Dragen uitte tarwe-schoof.

Maer byzonder Is 't een wonder

Boven al, gelooft het vry

Dat zy 't koren, Om te smoren

Knagen af te wederzy;

Jae, met dijken Wel bestrijken

Opdat daer, noch by noch nae

Waterstromen Zouden komen

Aen te brengen rot of schaê.

Kleyne beesjes, Groote geesjes!

Dank uw Schepper hebben moet

Van de lering, Die uw nering

Aen de trage menschen doet;

Des zoo schamen Wy by namen

Ons, die Christum kennen, dat

Onzen handel, Wegh, en wandel

Zoo veer wijkt van 't mierepad!

J.B. Stalpart van der Wiele (1579-1630)

Dit is een vrij simpel gedicht, zonder hoogdravende taal. Ook heeft het een eenvoudig onderwerp: de nijvere mier. Dat de luie mens van die mier nog iets kan opsteken is, ten slotte, een weinig schokkende moraal. De priester Stalpart van der Wiele schreef om een geloof uit te dragen en om het volk te bereiken. Dus maakte hij begrijpelijke gedichten, op een toon die het volk aansprak.

Of het volk in Stalparts tijd meer begreep dan nu, ik durf me daar niet over uit te laten. Het begreep in elk geval andere dingen. Dat zien we aan de toespelingen en associaties in dit gedicht. Want het is ook weer niet zó simpel. Er komt meer in aan bod dan alleen de nijvere mier. Eenvoud is altijd bedrieglijk.

Het gedicht gaat - de titel zegt het al - in de eerste plaats over de gauwe mier, de schrandere mier. En over de les die uit die schranderheid valt te trekken (dat 'met den wijzen' r.3) wil uiteraard zeggen 'in aansluiting op Salomo', bekend van de woorden: “Ga tot de mier, gij luiaard, zie hare wegen en word wijs” (Spreuken 6:6). Gaet, luyaerden! vervolgt Stalpart dan ook. Als jullie niet naar de hemel willen kijken, kijk dan naar de aarde en steek dáár wat van op.

De wijze Salomo die de mier wijs noemt, dat moest gevolgen hebben in de literatuur. De wijsheid van de mier werd een heus thema. Salomo had het enkel nog over de mier die in de zomer zijn eten voorbereidt. Het verhaal van de mier die zwoegt, terwijl de krekelen op hun stekelen (grassprieten) zingende hun tijd verdoen, werd uitgebreid en verbonden met het verhaal van de wijze en de dwaze maagden. Er kwam het verhaal bij dat de mier de graankorrels in zijn magazijnen zou stukbijten om het kiemen te beletten, wat betekent dat ook de mens geest en letter zou moeten scheiden, omdat de letter alleen doodt. Geen verhalen over nijverheid, maar verhalen over vooruitziendheid en dwaling.

Een van die verhalen verwerkt Stalpart hier, in het derde couplet: Maar in 't bijzonder is het een wonder... Wat precies de betekenis en de moraal van die geschiedenis was, zijn lezers begrepen het blijkbaar. Het is een bewijs te meer dat Stalpart - om voor zijn 'gewone' lezers verstaanbaar te blijven - nog sterk op de Middeleeuwen en de volksboeken leunt. Want daarin leefden veel vroeg-christelijke vergelijkingen nog altijd voort. Ende dits te wonderne sere, staat er over de mier in Van Maerlants Der Naturen Bloeme- en dan volgt de hele lading mieren-mythologie. Het was kennis die voor het publiek van Stalpart van der Wiele vanzelfsprekend was. Bijbelse kennis en buitenbijbelse kennis.

Er zitten waarschijnlijk meer knipogen in dit gedicht. Het gebruik van het woord Distingueeren, van Distinctie, verwijst niet alleen naar de onderscheiding van werk- en rustdag maar heeft ook een algemener bijklank van religieus vermaan. Het marmer uit couplet drie hoefde Stalpart zijn lezers evenmin uit te leggen. Het werd steeds (ook bij Van Maerlant) in één verband met de mier genoemd. 't Betreft hier vanzelf het spreekwoordelijke geduld: de druppel holt de steen uit. En misschien is het Kleyne beesjes, Groote geesjes! aan het begin van het laatste couplet nog een knipoog naar iets anders spreekwoordelijks: hoe groter beest, hoe kleiner geest.

Nu, dat laatste begrijpen wij nog steeds. Maar voor de rest is de moderne lezer de basis kwijt waarop zijn verstandhouding met Stalpart stoelt. De bijbelspreuken, het allegorische arsenaal. Wat overblijft is de muzikale eenvoud van Stalpart van der Wiele. Het blijkt nog meer dan voldoende. Zijn speelsheid en uitbundig jongleren dragen, poëtisch gezien, een modern karakter. Dat tot vijfmaal toe herhaalde Ziet ze, Ziet ze, Ziet ze, Ziet ze, het werkt hoe dan ook niet ronkend of retorisch, het lijkt verdomd Gezelle wel.