Het spoor bijster

AMSTERDAM. Ik toets het zoekprogramma in van de bibliotheek. Ik zocht op Thijssen, Theodorus J. Het computerscherm verspringt: twintig treffers.

'Het Grijze Kind', 'Kees de Jongen', 'Schoolland', maar ik vind niet wat ik zoek. Ik vraag: 'Volk, Het'. 'Krantencode 37', antwoordt het systeem, aanwezig is jaargang 1900 - 1929. Ik zoek verder. Code 37, 18-21 oktober 1926, NVV-congres. En opeens zie ik hem, door de groene letters van het scherm heen, zeventig jaar geleden: fors, ouderwets in het pak, altijd een sigaar, een stevige snor, de buik vooruit, door en door onderwijzer, door en door vakbondsman, altijd bezig met het ideaal, zelden of nooit met de centjes, en eeuwig flexibel als dat in het belang was van het kind en de algemene zaak.

Uiteindelijk vind ik wat ik zoek, de rede die hij hield als bestuurslid van de Bond van Nederlandse Onderwijzers toen die zich in 1926 aansloot bij het Nederlands Vakverbond. Het was een rede die, als ik hem nu nalees, zeker anderhalf uur geduurd moet hebben, en misschien nog wel langer. “De organisatie van het onderwijs moet er op berekend zijn elk kind op te leiden voor die plaats in de maatschappij welke past bij zijn aard, neigingen en kapaciteiten”, zo luidde zijn eerste zin, en voor de rest ging het over de omvang van de klassen, de hoogte van de schoolgelden, en het beroep van onderwijzers in zijn algemeenheid, “die eigenaardige hartstocht voor ontwikkeling, voor het sterk maken van wat zwak is.” Met geen woord repte deze vurige vakbondsman over arbeidstijdverkorting, vervroegde uittreding, of een nieuwe loonronde. De vakbond en het algemeen belang waren in zijn visie op een vanzelfsprekende manier met elkaar verbonden, via de gouden keten van het ideaal.

Anno 1996 is die keten gebroken. Stakingen zijn tegenwoordig vooral te vergelijken met echtelijke ruzies: ze gaan zelden of nooit om datgene waarom het zogenaamd gaat. Prestigekwesties, opgehoopte ergernissen, rivaliteiten tussen elkaar beconcurrerende vakbonden, slecht management, nare chefs, alles speelt een rol, en het meeste ligt ondergronds. Ook de spoorwegstaking die nu ophanden is draait om heel wat meer dan een handvol ATV-dagen. De NS zijn al jaren aan het reorganiseren, de interne besluitvorming gaat niet zelden heen en weer als een rangeerlocomotief en de afstand tussen management en werkvloer is groot. Die broeiende haarden vormen nu de brandstof voor twee fundamentele conflicten binnen een van de laatste sectoren waar de vakbeweging nog werkelijk iets te vertellen heeft, een machtsconflict èn een ideologisch conflict.

Het machtsconflict draait vooral om de machinisten, de groep die bij het NS-personeel sinds jaar en dag de toon zet. Hun bond, de FSV trekt nu de grotere bonden mee in zijn strijd met de NS-directie. En de andere bonden moeten wel volgen, al is het tegen wil en dank, anders raken ze teveel leden kwijt aan deze kleine, felle concurrent. Aan de andere kant graaft het management zich in, beseffend dat een veldslag blijkbaar toch onvermijdelijk is om af te rekenen met de 'oude' vakbondscultuur van de 'oude' NS.

Het ideologische confict is minstens zo beladen. Het moderne management eist van werknemers zoveel flexibiliteit, dat het woord zo langzamerhand een allesoverheersende ideologie is geworden. Alles en iedereen lijkt daarvoor te moeten wijken, zelfs de hoogste urgenties in het privé-leven. In wezen gaat het hier dus ook om een machtsstrijd, maar dan om de macht over eigen tijd en leven.

Gezien de principes waar het om gaat kan deze staking dus wel eens een lange staart krijgen - tenminste als de rechter niet tussenbeide komt. Het openbaar vervoer loopt kans zo een flinke knauw te krijgen, en dat in deze toch al zware tijden.

En daarmee ontstaat een derde conflict, dat boven de twee anderen uitstijgt: dat tussen het vakbondsbelang en het algemeen belang.

De brede vakbond van Theo Thijssen, die in de eerste plaats het ideaal diende, bestaat allang niet meer. De beroepsbestuurders kunnen mooie dingen zeggen, maar de kaders die beslissen zijn maar al te vaak conservatieve oudere mannen, die niet zo gesteld zijn op vrouwen, allochtonen en principiële verhalen. De WAO is mede dankzij het korte-termijndenken van de bonden - die daar een leuke afvloeiingsregeling in zagen - grotendeels om zeep geholpen.

De Voedingsbond, met veel laaggeschoolde leden, heeft nog altijd een belangrijke emanciperende functie. Maar de rol die bijvoorbeeld de AbvaKabo binnen het Amsterdamse Gemeentelijke Vervoerbedrijf heeft gespeeld was ronduit desastreus. Jarenlang is daar omwille van de heilige rechtspositie vrijwel elke verandering geblokkeerd.

Een soortgelijke houding hadden en hebben de politiebonden. Niet de inhoud van het werk, de veiligheid op straat of het openbaar vervoer, leek hen bezig te houden, maar enkel het loonzakje en de dienstroosters. Ook Thijssens oude onderwijzersbond, de huidige Abop, heeft de laatste jaren een vrij fatale rol gespeeld: de rechtspositie ging boven alles. Binnen deze bond bestaat nog altijd een sterke gerichtheid op het onderwijs in zijn algemeenheid, maar uiteindelijk volgt men toch de persoonlijke prioriteiten van de leden. Zo zijn talloze vakbondsbestuurders die verder kijken dan hun neus lang is, gevangene geworden van een vergrijzend ledenbestand.

Maar is, aan de andere kant, dit terugtrekken op het eigenbelang van de vakbondsleden ook niet een logische consequentie van het primaat van de vrije markt dat overal wordt gepropageerd? Valt de vakbonden te verwijten dat ze openbaar vervoer, onderwijs en andere zaken van algemeen belang als ordinaire koopwaar beginnen te zien, nu de overheid hen daarin al jaren voorgaat?

Toen Theo Thijssen zijn rede uitsprak begreep iedereen waar hij het over had en waar de vakbonden voor stonden. Aan de arbeidsvoorwaarden van de onderwijzers zelf besteedde hij ongeveer dertig seconden - hij vond zelfs dat onderwijzers eigenlijk vrijgesteld moesten worden van salarisacties, dat moesten de arbeiders maar voor hen doen, in het belang van hun kinderen. In zijn visie was de verhouding tussen vakbondsbelang en algemeen belang glashelder. Waarom is iedereen dan nu het spoor bijster?

    • Geert Mak