Gemengde gevoelens bij weerzien Rwanda; 'Iwacu, iwacu': naar huis, naar huis!

BUREHE, 21 NOV. Maan boven de theeplantage. Een voile van fijne nevel ligt over de struiken. Emanuel Mukampuga (14) komt na tweeëneenhalf jaar thuis met zijn drie zusjes van elf, zeven en vijf. Meer dan 120 kilometer hebben ze gelopen, sinds vrijdag, vanaf het kamp Mugunga in Zaïre.

Emanuel kent het paadje nog, kronkelend door de gewassen, dat hen omhoogbrengt, naar mamma. Iwacu, iwacu - naar huis, naar huis, roept hij door de nacht. Chaos sloeg in 1994 het gezin Mukampuga uit elkaar. De kinderen bereikten in gezelschap van enkele familieleden de grens, de ouders niet. Vader stierf, moeder Donatile (50) was uiteindelijk te zwak om te gaan en kon niet meer vluchten. Ze bleef alleen thuis, bewerkte de tien are grond die ze pachtte en kon daar een karig bestaan van leiden. Zo bleef het, tot vandaag.

De nacht is stil, alleen het geluid van krekels, zingende nachtvogels en het soppen van schoenen. Dan klinkt er geroep vanuit de duisternis boven. Mamma hoort haar verloren gewaande kroost aankomen. Ze stormt naar beneden. De kinderen roepen terug: “Hier zijn we, hier zijn we.” De moeder herkent Emanuel en ze drukt haar kinderen tegen zich plat. “Ben jij dat Byiamana, ben jij dat Mukagasagore, is dat Nyinsabimana, nee toch, ben jij al zo groot?” Moeder en kinderen rollen over elkaar heen van vreugde en ontroering. Alleen de jongste begrijpt niet goed wie die vreemde vrouw is. Moeder Donatile neemt Nyinsabimana op haar rug. “Ik wil voelen dat het ook echt mijn kind is”, zegt ze. Het meisje heeft een sterk opgezet buikje en is muisstil. Na een poosje verzucht Donatile: “Ik voel het, het kind is van mij.”

De buren komen, ooms en tantes, iedereen deelt in de uitbarsting van blijdschap. Ook de muzunga, de blanke, moet delen in het feest. Ze omhelzen, ze zoenen, ze lachen. Het gezelschap maakt zijn intocht op het erf waar twee eenvoudige lemen hutten staan, omheind door bananenbomen. Bij het licht van haar ene olielamp valt Donatile in de woonhut op haar knieën en dankt de maagd Maria voor de wonderbaarlijke terugkeer van haar kinderen. “Ik ben zo gelukkig, ik had nooit gedacht dat ze zouden terugkeren. Merci Maria.” Ze wappert de vingers van beide handen tegen elkaar als teken van dankbaarheid. Ze is ook wel trots op haar kinderen die zo helemaal alleen de weg naar huis hebben gevonden en de hele afstand moesten lopen en dan zo snel. “Afrikaners zijn taai, hè”, zegt Donatile. Via het Rode Kruis had ze recentelijk vernomen dat haar kinderen allemaal nog leefden. Maar Donatile had niet gehoord dat de kampen waren opengegaan. In deze afgelegen streek was nog geen vluchteling teruggekeerd. Emanuel moet vertellen hoe het was in het kamp, onderweg, moeder wil alles weten. De jongen zegt dat ze vergeefse pogingen hadden gedaan mee te rijden met een van de spaarzame bussen of vrachtwagens. “En we mochten niet stoppen, militairen dwongen ons door te lopen, soms sloegen ze.” Eten hadden ze bijna niet gekregen, alleen water en soms een gebietst koekje. Pas het laatste stukje van twintig kilometer konden ze met iemand meerijden, anders hadden ze nog een dagmars moeten maken.

Moeder Donatile kan het niet meer aanhoren. Ze zal dadelijk sorghumpap maken voor de kinderen en bananen plukken. De kinderen weten nog niet dat hun vader dood is. Dat zal ze hun morgen zeggen. Donatile gaat geld sparen om vlees te kopen en misschien wel frisdrank. Voor Kerstmis. Dan gaan ze het echte feest van de behouden thuiskomst vieren. Het schijnsel van het olielampje vormt sterretjes in de twinkelende ogen van de kinderen.