Gemengde gevoelens bij weerzien Rwanda; 'Gelukkig, ons bos staat er nog!'

RUHENGERI, 21 NOV. Was Marie José maar in Ruhengeri gebleven, dan had ze haar baan als verpleegster nog gehad en in een van haar twee riante huizen kunnen blijven wonen. Dat deed ze niet, ze ontvluchtte in 1994 haar stad met man Jean Pierre sr. en vijf kinderen naar Zaïre. Nu is Marie José Nyiegakabanza (40) teruggekomen. Een keurige vrouw uit de gegoede Hutu-kringen.

Ze draagt een jurk met een fleurig Afrikaans motief, heeft haar haar in vlechtjes op haar hoofd gespeld; in niets lijkt ze op een teruggekeerde vluchtelinge. Haar echtgenoot, die voorheen hoofd van een chique privé-school was “is nog onderweg”, zegt Marie José mysterieus. De beide huizen zijn gekraakt door Tutsi's en daar durft Marie José niet naar toe. Over veertien dagen heeft ze volgens de jongste bepalingen het recht de huizen op te eisen. Dan ziet ze wel weer verder.

Ze maakt een ronde door het ziekenhuis van Ruhengeri waar ze voorheen werkte. Het weerzien met haar vroegere collega's is niet al te hartelijk. Neemt men het haar kwalijk dat ze vluchtte? “Nee hoor”, zegt een Tutsi-verpleger, maar zijn lichaam spreekt andere taal. Koel, met de konten zover mogelijk naar achteren omarmen de twee elkaar. Kan Marie José haar baan terugkrijgen? “Dat weten we niet”, zeggen andere personeelsleden, “niets is zeker.”

Marie José gaat op bezoek bij haar vijftienjarige zoon Jean Pierre jr., die op de weg terug van het gezin vooruitgestuurd was als verkenner en een ongeluk kreeg. Ze is nog niet bij hem op bezoek geweest “omdat ze nog geen tijd had”. Daar ligt Jean Pierre op een van de vele stinkende ziekenzaaltjes, met zijn zwaar gebutste hoofd. Het is de verpleegster Marie José die zich over hem heen buigt, niet de moeder.

Aan de rand van Ruhengeri ligt een statige kathedraal van rode baksteen. De drie Hutu-priesters vluchtten in 1994 en zijn nog niet teruggekeerd. Boze tongen in Ruhengeri fluisteren dat de priesters betrokken waren bij de genocide op de Tutsi's en niet terug durven te komen. Er zijn nu drie Poolse geestelijken die de honneurs waarnemen.

“Gelukkig, ons bos staat er nog”, roept Marie José uit op weg naar Gasanza, aan de voet van de Muhabura-vulkaan, op de grens met Oeganda. In arren moede moet de rijke vrouw logeren in haar geboortedorp bij haar moeder. Ook in Gasanza is het weerzien tussen mensen, die elkaar in de meest bewogen twee jaar uit de Rwandese geschiedenis niet hebben gezien, opvallend koel. Wat is hier 'toen' gebeurd in dit welvarende afgelegen oord? Als Marie José de geborgenheid van het ouderlijk huis heeft opgezocht, komen de verhalen van de omstanders los. Over het Hutu-extremisme, over de terreur. De man van Marie José was een regionale leider van de CDR (Coalition pour la Défense de la République), een reactionaire felle anti-Tutsi-beweging die samen met de Hutu-milities (Interahamwe) de genocide onder de Tutsi's uitvoerde. “Daarom is hij nog niet terug”, zegt een man op blote voeten maar met een dikke Zweedse ijsmuts tot over zijn wenkbrauwen.

De beklemming van 1994 hangt nog als een omen boven het dorp. Hier is over en weer gemoord. De Tutsi-guerrilla's van het RPF veroverden in mei 1994 de streek. Ze doodden enkele achtergebleven Hutu's die in hun ogen verdacht waren. Uit Gasanza vluchtte 70 procent van de bevolking. De meeste inwoners zijn nu teruggekeerd, onder wie ook leden van de Interahamwe. Er zijn geen Tutsi's teruggekomen. En men wacht nog steeds op Jean Pierre Nyiegakabanza.

    • Lolke van der Heide