ENCYCLOPEDIE

Documentaire De meeste handboeken schrijven het eerste gebruik van het woord 'documentaire' (documentary in het Engels) toe aan de Schotse filmpionier John Grierson (1898-1972), in een in februari 1926 in de New York Sun gepubliceerde recensie van de film Moana, geregisseerd door de Amerikaan Robert J. Flaherty, die eerder (in 1922) Nanook of the North maakte.

Grierson, de grondlegger van wat bekend zou worden als 'de Britse documentaire beweging', definieerde de documentaire later als een film die een 'creatieve behandeling van de werkelijkheid' onderneemt.

Nanook of the North, een deels gedramatiseerde beschrijving van het dagelijks leven van de eskimo's, wordt dan beschouwd als de eerste 'creatieve documentaire'.

De eer die Grierson ten deel viel als 'uitvinder van de documentaire' heeft vooral te maken met zijn latere verdiensten als

theoreticus en vormgever van het genre. In feite gaf Grierson in die beroemde recensie al toe dat hij de term ontleende aan het Franse begrip film documentaire, waarmee gedoeld wordt op reisverslagen (travelogues) en andere vormen van filmische non-fictie. Het lijdt geen twijfel dat de non-fictiefilm ouder is dan de fictiefilm: de eerste werkstukken uit 1895 van de Cinématographe van de gebroeders Auguste en Louis Lumière betreffen immers de zuivere werkelijkheid. Voor de eerste filmkijkers waren de aan het ware leven ontleende beelden ook meer spectaculair dan de statisch gefilmde toneelstukjes, die de eerste speelfilms vormden.

Tot aan de komst van de 16mm-lichtgewichtcamera, aan het begin van de jaren zestig, bleef het belangrijkste kenmerk van documentairefilms niet dat ze spontane taferelen uit de werkelijkheid vastlegden, maar dat ze tot stand waren gekomen buiten een filmstudio - op straat of in de natuur. De logge, slecht wendbare 35mm-camera's maakten het vaak bijna fysiek onmogelijk onder niet-gecontroleerde omstandigheden ook nog eens de realiteit haar gang te laten gaan. De documentairemakers moesten wel uitlichten, repeteren, ensceneren, reconstrueren. Pas na de komst van de cinéma vérité, in Amerika hernoemd tot direct cinema, stelde de nieuwe generatie documentairemakers met hun wendbare camera's hogere eisen aan de authenticiteit van de documentaire. Het ideaal werd het betrappen van de niet beïnvloede werkelijkheid door een zo goed als onzichtbare cameraman: a fly on the wall.

Bij de definitie van het woord documentaire speelde ook de ideologische bevlogenheid van de maker een rol. Heel lang heeft onder invloed van Grierson, en communistisch georiënteerde documentaristen als Joris Ivens en Dziga Vertov, het voorschrift gegolden dat een documentaire maatschappelijke ideeën en waarden moest overbrengen en een bijdrage moest leveren aan verandering van sociale en economische omstandigheden. Er zijn echter ook altijd documentaristen geweest die hun werk definieerden als een vorm van 'kunstzinnige visuele journalistiek'.

Na de discussies over maatschappelijk engagement en over de authenticiteit als eigenschappen die een documentaire definiëren, gaat de laatste jaren de discussie vooral over het onderscheid tussen 'journalistieke reportage' en 'creatieve documentaire'. Het bedieningsgemak van met name de videocamera stelt immers iedere amateur, en zeker iedere televisiejournalist, in staat om zijn aan de werkelijkheid ontleende beelden als een documentaire te bestempelen.

De grens tussen een nieuws-item, een televisiereportage en een documentaire valt moeilijk te trekken. Daartoe wordt steeds meer een beroep gedaan op het adjectief 'creatief' uit Griersons oorspronkelijke definitie. Beslissend is of de film scenario, montage en presentatie blijk geeft van een creatieve verwerking van de realiteit. Er zijn zelfs stemmen die menen dat een film of een reportage pas een documentaire mag worden genoemd als de persoonlijke betrokkenheid van de maker herkenbaar is. Die voorwaarde verklaart de gretigheid waarmee steeds vaker documentairemakers zelf in beeld verschijnen of op de geluidsband in de eerste persoon vertellen over hun 'zoektocht' of 'persoonlijke dilemma'.

De beste documentaires zijn wellicht films die impliciet - door hun stijl, 'handschrift', benadering, onderwerpkeuze en montage - de persoonlijkheid van de maker onthullen. Niemand zal meer een film als 'documentaire' van de hand wijzen omdat er geen maatschappelijk engagement uit blijkt of omdat een scène is nagespeeld. Wel mag nog steeds de eis worden gesteld dat de film in zijn geheel de waarheid niet verdraait. De toon moet eerder essayistisch zijn dan journalistiek.

    • Hans Beerekamp