Een geheime commissie

Aangeboden: ideeën. Gezocht: geld. Het documentaire-festival als marktplaats. “Het is een groot succes.”

EEN ORDINAIRE BEURS is het allesbehalve, zegt Jolanda Klarenbeek. Het jaarlijkse FORUM, dat zij organiseert in samenwerking met het International Documentary Filmfestival Amsterdam, IDFA, is dé plek waar documentaire-makers hun ideeën kunnen voorleggen aan potentiële financiers. “Alleen al het feit dat uitsluitend een aantal op kwaliteit geselecteerde documentaire-makers het FORUM mag bezoeken, maakt het uniek in de wereld.”

De Amsterdamse concerthal Paradiso is van 4 tot 6 december de locatie van een forum waar documentaire-makers hun ideeën aan de man kunnen brengen. Via een presentatie moeten ze tv-stations, producenten, distributeurs of fonds-beheerders enthousiast zien te maken voor hun beoogde documentaire. Het FORUM bestaat sinds 1993 en wordt onder andere gefinancierd door de Europese Unie. 'Brussel' probeert met verschillende projecten Europese filmmakers een kans te geven op de filmmarkt, die in toenemende mate wordt gedomineerd door Amerikanen.

Wie zich wil kwalificeren voor het FORUM moet aan een reeks eisen voldoen. Voor een kwart van de begroting moeten bijvoorbeeld al fondsen zijn gevonden, van omroepen of filmfondsen. Een anoniem opererende selectie-commissie (“van deskundigen uit het veld”) beslist bovendien over de kwaliteit van het idee. Dit jaar kreeg het FORUM 145 aanmeldingen binnen, waarvan er 40 afvielen doordat ze niet aan de eerste toelatingseisen voldeden. De geheime commissie van vier deskundigen legde vervolgens 105 ideeën onder de loep.

De 65 geselecteerde overblijvers mogen in december hun gedeeltelijk gefinancierde plannen aan een heus leger co-financiers presenteren. In Paradiso is daartoe een reusachtige ovale tafel gebouwd waarachter de deelnemers van het FORUM plaatsnemen. “Aan weerszijden van deze tafel zitten de mensen die ideeën zoeken”, legt Klarenbeek uit. “Aan het ene hoofd zitten twee moderators, bemiddelaars, die de sessies moeten leiden. Deze keer zijn dat Jeanne Wikler, directeur van het Amsterdamse Maurits Binger Film-instituut, en Eckart Stein, werkzaam bij ZDF/Das kleine Fernsehspiel. Aan het andere uiteinde moeten de documentaire-makers plaats nemen.”

De 65 uiteindelijke gegadigden zijn weer opgedeeld in twee groepen, waarvan de ene terechtkomt in de Rode Catalogus en de andere in de Groene Catalogus. Klarenbeek: “Die benaming is geïntroduceerd tijdens het eerste FORUM en toen blijven hangen. Het grote verschil tussen de twee kleuren is het uiteenlopende aantal minuten dat de documentaire-makers mogen pitchen.” Pitchen? “Zo noemen we het presenteren. Daarbij is in beginsel alles toegestaan. Als het maar opvalt. De inzenders die in de groene catalogus terechtkomen, mogen vijf minuten hun idee in een korte presentatie 'verkopen', waarna ze vijf minuten vragen van geïnteresseerde co-financiers moeten beantwoorden. De 'moderators' moeten in dit stadium een belangrijke rol spelen, zo van: hé Channel Four - ik geef maar een voorbeeld - dit lijkt me typisch iets voor jullie. Kom maar over de brug! Bij de Rode Catalogus gaat het om tweemaal tien minuten pitchen.”

Wat volgens Klarenbeek overigens niet betekent dat iedereen in de laatste categorie wil vallen. Want, zegt ze: “Zie die tien minuten ten overstaan van een kritisch publiek maar eens vol te praten.” Omroepen, fondsen of andere geïnteresseerden kunnen zich na deze fase terugtrekken voor de financiële afronding. Volgens Klarenbeek zijn daar overigens nauwelijks commerciële omroepen bij, want die lopen liever geen risico en kopen dus praktisch uitsluitend kant-en-klare produkties die hun commerciële bestaansrecht al hebben bewezen.

Het pitchen is de afgelopen jaren een begrip geworden; het idee is inmiddels ook al op kleine schaal gekopieerd door enkele andere festivals in het buitenland. Van het pitchen hangt voor de uitvoerders niet alleen veel af, het is voor de toeschouwers ook leuk om naar te kijken. “Tijdens de presentatie steken IJslanders met kop en schouders boven de andere filmmakers uit, omdat ze zo'n sterke verhalende traditie hebben”, aldus Klarenbeek. “Nederlanders beginnen doorgaans met de grootste mond, maar sluiten hun presentatie daarentegen meestal sprekend tegen de tafel af, met de neus naar beneden.” De FORUM-manager is ook al nieuwsgierig naar de presentatie van een Finse deelnemer. Die heeft in de sokken van vijftig van zijn vrienden zendertjes verstopt om voor eens en voor altijd op te helderen waarom mannen altijd in een mum van tijd de helft van een paar sokken kwijtraken.

Juist omdat 'pitchen' - en je presenteren in het algemeen - zo belangrijk is, zijn er speciale cursussen georganiseerd, zodat de pitchers niet geheel onbeslagen ten ijs treden. Klarenbeek: “Dat ze de mogelijkheid hebben zich te leren presenteren, is maar één voorbeeld van de meerwaarde van het FORUM voor de aspirant documentaire-makers. Iedereen komt elkaar in de wandelgangen tegen. Er is zelfs een wachtlijst van inzenders die het niet hebben gehaald; die willen kijken hoe het eraan toegaat. Voor de volgende keer.” Voor die volharding bestaat een goede reden: van alle documentaires die in 1994 op het FORUM zijn gepitched - recentere cijfers zijn nog niet voorhanden - is inmiddels meer dan zeventig procent ook gerealiseerd. “Dat is in de documentaire-wereld een groot succes te noemen.”