Van Atjeh tot Buitenveldert

Een teveel aan voorpubliciteit heeft zijn gevaren. De NCRV heeft de afgelopen maanden luid van de daken geschreeuwd dat men een ambitieus dramaproject onder handen had: In naam der Koningin over de strijd in Atjeh. Met tien miljoen gulden vermoedelijk de duurste dramaproduktie ooit. We kregen te horen hoeveel kippenpootjes en diarreepillen de crew tot zich had genomen, en over een tijdje mogen we misschien het aantal bij de inlanders verwekte kindertjes noteren - hoewel, het blijft natuurlijk de NCRV.

Maar was het de moeite allemaal waard? Voor een oordeel daarover is het nog te vroeg, maar ik moet bekennen dat ik na de eerste aflevering niet helemaal gerust ben. Het was niet slecht, maar evenmin erg goed. Voor een serie die niet meer dan vijf afleveringen telt, kwam In naam der Koningin nogal traag op gang.

De dramatische ontwikkeling verliep zonder verrassingen en er waren weinig sterke scènes die je aandacht gevangen hielden. En de actiescènes die als sterk bedoeld waren - bijvoorbeeld de bomaanslag op de brug - hadden iets knulligs: een middelmatige Amerikaanse regisseur brengt het overtuigender in beeld. Aan de Nederlandse acteurs ligt het niet, die spelen tegenwoordig zelfs in de zwakste serie nog heel behoorlijk.

De vraag is of regisseur Bram van Erkel en scenarioschrijver Geert van Doormaal (Hugo Heinen) hun verhaal in de tweede aflevering alsnog in een dramatische stroomversnelling kunnen krijgen - zo niet, dan zie ik het somber voor hun produktie in, want de tv-kijker is een genadeloos wezen. “Deze tocht wordt een zelfmoordactie, welterusten”, zei een kapitein aan het einde van de eerste aflevering. Laten we voor de NCRV hopen dat die woorden strikt van toepassing blijven op het fictieve drama van de serie.

Waar ik, eerlijk gezegd, gisteravond geboeider naar keek, was een kale, simpel gefilmde documentaire van de Humanistische Omroepstichting met de fantasieloze titel: 'Stoppen met je verslaving, wat dan...'

Het leek een voorspelbare film over verslaafden, maar zó gemakkelijk had regisseur Eveline van Dijck zich er niet vanaf gemaakt. Zij had zich toegang verschaft tot de zelfhulpgroep Buitenveldert in Amsterdam die al jarenlang wekelijks in wisselende samenstelling bijeenkomt.

Het gaat om mannen en vrouwen met uiteenlopende verslavingen en fobieën: van pillen tot drank en vliegangst. Ze hebben afgesproken dat ze in de eerste plaats naar elkaar zullen luisteren. Geen adviezen, geen discussies, geen agressie. Of zo'n groep ook geschikt is voor verbaal minder begaafden is de vraag: het viel me op hoe goed en intelligent de meesten over zichzelf konden praten.

Het scheen te helpen. Men praatte met grote dierbaarheid over de groep. Van de verslaving en de angst kom je nooit meer écht af, maar het contact met lotgenoten kan een terugval voorkomen. Waar dat precies in zit en waarom de traditionele hulpverlening faalt, bleef schimmig. Kennelijk is het moeilijk om adviezen aan te nemen van mensen die niet door een soortgelijke hel zijn gegaan.

Drie cruciale citaten.

Man een: “Ik onderga het vaak als ontroerend. Voor mij zijn het vakgenoten, de enigen die erover kunnen praten. De anderen zijn buitenstaanders, die snappen het toch niet.”

Man twee: “Iedereen denkt dat het leven zich herstelt als hij met zijn verslaving stopt, maar dat je dan met beide voeten in het oude probleem stapt, heb ik tijdens behandelingen nooit gehoord.”

Man drie: “Ik geloof niet in vechten tegen verslaving. Dan leg je het af. Je moet slimme, andere wegen zien te vinden. Je moet tot actie komen op heel andere, nieuwe gebieden. Dat kunnen ook oude relaties zijn.”

    • Frits Abrahams