Uitkeringsfabrieken moeten de markt op

De Tweede Kamer buigt zich morgen over de Organisatiewet Sociale Verzekeringen 1997. Het is het voorlopige sluitstuk van de privatisering van de sociale zekerheid. Organisaties die voor de sociale verzekeringen zorgen, moeten de markt op.

ZOETERMEER, 20 NOV. Van uitkeringsfabriek naar offensieve marktspeler; de instellingen die zorgen voor de uitvoering van de sociale zekerheid hebben een ware cultuurschok achter de rug. In drie jaar tijd is het aantal personeelsleden gehalveerd. En nog is het doel niet bereikt. Dat staat op 'één één tweeduizend' zoals de deadline van 1 januari 2000 door ingewijden wordt aangeduid. Dan moet er sprake zijn van marktwerking in de sociale zekerheid.

Vanaf vandaag debateert de Tweede Kamer met staatssecretaris De Grave (Sociale Zaken) over het wetsvoorstel dat de weg moet effenen naar marktwerking: de Organisatiewet Sociale Verzekeringen 1997 (OSV). Het is het voorlopige sluitstuk van de missie van het kabinet, vastgelegd in het regeerakkoord: het terugdringen van een beroep op werknemersverzekeringen door marktwerking in de sociale zekerheid te introduceren. Ziektewet en WAO zijn behandeld; nu is het de beurt aan de uitvoering van de werknemersverzekeringen. De uitvoeringsinstellingen moeten effectiever gaan werken, vindt het kabinet. Om ze daartoe te dwingen wordt in de 21ste eeuw de markt open gegooid.

In betrekkelijke stilte hebben de instellingen zich voorbereid op de marktwerking. “Bedenk wel, die hele verandering hebben we zonder ook maar de geringste arbeidsonrust teweeg gebracht en in een aanzienlijk kortere periode dan waarin grote bedrijven als PTT en NS privatiseren. En al die tijd zijn de uitkeringen geruisloos de deur uitgegaan.” Aan het woord is A. van de Ven, directeur van de (kleinste) uitvoeringsinstelling GUO, verantwoordelijk voor de sociale verzekeringen in de agrarische sector, de vlees- en tabaksverwerkende industrie.

In de ogen van het kabinet betekent marktwerking dat ondernemers straks zelf mogen kiezen bij welke instelling ze hun sociale zekerheid onderbrengen. Dat komt in plaats van de huidige gedwongen winkelnering, waarbij een werkgever via een bedrijfsvereniging geklonken is aan één van de vier uitvoeringsinstellingen, GUO GAK, SFB of Cadans.

GUO is er volgens Van de Ven “helemaal klaar voor”. Dat moet ook wel: als de prestatie onder de maat blijft, nemen de ondernemers straks de wijk naar een andere 'uvi'. Of naar een particuliere verzekeraar of naar de Belastingdienst. Deze partijen kijken ook al naar de sociale verzekeringsmarkt ter waarde van bijna veertig miljard gulden. “We krijgen nu een veel zakelijker relatie met onze klanten”, zegt Van de Ven.

Om de klanten binnenboord te houden, is het GUO onderdeel geworden van een holding. Deze holding bestaat uit een A- en een B-poot. In de B-poot zijn private commerciële diensten ondergebracht, in de A-poot de publieke activiteiten, zeg maar de oude uitkeringsfabriek. Zo biedt de nieuwe holding de geprivatiseerde Ziektewetverzekering deels aan in samenwerking met Interpolis, een aan de Rabobank gelieerde verzekeraar die net als GUO sterk staat in de agrarische sector. Verder heeft Stigas, een landelijk opererende arbodienst, zich bij de holding (Stigas GUO-groep) aangesloten die werkgevers helpt bij het verbeteren van de arbeidsomstandigheden en de controle en begeleiding van zieke werknemers.

Nu is het wachten totdat de markt open gaat. Het vervult Van de Ven met zorg. Niet omdat hij als kleinste uitvoerder mogelijk aan het kortste eind trekt en wellicht door een verzekeringsgigant wordt opgeslokt.

De bezorgdheid richt zich op de politiek: houdt die nog wel vast aan het doel, marktwerking? “We weten eigenlijk niet meer zeker of die marktwerking nog wel het doel is waarnaar we allemaal streven”.

Zo is bijvoorbeeld niet langer duidelijk hoe de rolverdeling tussen uitvoeringsorganisaties, nieuwe marktpartijen, toezichthouders en overheid zal zijn.

Vanaf 1 januari volgend jaar verdwijnt het Tica, het Tijdelijk Instituut voor Afstemming en Coördinatie dat wordt vervangen door het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (Lisv). Dit instituut krijgt de verantwoordelijkheid over de uitvoering van de sociale verzekeringswetten en is tegelijkertijd de opdrachtgever van de uitvoeringsinstellingen.

Een merkwaardigde dubbelrol, vindt Van de Ven. Het Lisv moet de door de politiek beoogde marktwerking stimuleren, maar tegelijkertijd houdt het als monopolistische opdrachtgever voor de gehele markt die marktwerking tegen.

Boven het Lisv staat het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (Ctsv) dat in het voorstel van De Grave en tegen het advies in van de Raad van State niet ressorteert onder het ministerie, maar onafhankelijk toezicht blijft houden op de sociale verzekeringsmarkt. “In feite hebben we met het wetsvoorstel na 1 januari volgend jaar vier toezichthouders: het Ctsv, het Lisv, ook het ministerie van Sociale Zaken is zeer alert en de Algemene Rekenkamer heeft een onderzoek naar ons ingesteld.”

Wat Van de Ven betreft is één meer dan genoeg: “Het Ctsv kwijt zich uitstekend van haar taak.” De respectievelijke rollen van alle partijen moeten beter worden vastgelegd, vindt de GUO-directeur. Vooral die van het Lisv: “Die moet duidelijk 'het bevorderen van concurrentie' in de taakomschrijving hebben staan. Als het in die taak slaagt, heeft het Lisv zichzelf als opdrachtgever overigens overbodig gemaakt.”

In het toekomstbeeld van Van de Ven vinden werkgevers straks zelf hun weg naar de tientallen instellingen die hun werknemersverzekeringen regelen. Daarboven 'hangt' de overheid als sociale wetgever en toezichthouder in de gedaante van het Ctsv. De twijfels of 'de politiek' hetzelfde beeld voor ogen staat, nemen toe.

“Houdt de oorspronkelijk ingezette marktwerkings-lijn vast”, is de oproep van Van de Ven aan Kamer en kabinet. Anders is de hele cultuuromslag voor niets geweest en dreigen de uitvoeringsorganisaties te vervallen in de oude uitkeringsfabrieken die ze waren.

    • Robert Giebels