Top Hat

“No strings, no connections, no ties to my affections”, zingt Fred Astaire (1899-1987) in de eerste muzikale scène uit zijn beroemdste film, Top Hat uit 1935.

Het verwonderlijke is dat je nauwelijks merkt wanneer de gesproken conversatie met zijn theaterproducent (Edward Everett Horton) overgaat in zingen, want het gebeurt in een fractie van een seconde. Astaire staat te roken en te praten en zomaar ineens veranderen zijn woorden in een door Irving Berlin geschreven liedje. De natuurlijke gratie van de godenzoon Astaire maakt die kwalitatieve verandering volstrekt geloofwaardig, evenals de beslissing om een toch voornamelijk zakelijke relatie tussen twee heren plotseling een lyrisch karakter te geven. Astaire is los van de wereld, gewichtloos en zit met geen enkel touwtje meer vast aan de realiteit. Bijna onzichtbaar schiet hij zijn sigaret weg en integreert een klap met de vlakke hand op de stoelleuning, het inschenken van een glas whisky en het toedienen van spuitwater ritmisch in de noodzakelijk hierop volgende tapdans. Het nummer eindigt, na een korte onderbreking door de van het tappen op parket wakker geworden, een etage lager slapende Ginger Rogers, even organisch met het gapend in slaap vallen van de moe gedanste Astaire in een fauteuil.

Hoe Astaire het voor elkaar krijgt, heb ik nooit willen weten. Het zal een kwestie geweest zijn van ervaring, gedetailleerde oefening en discipline, om mij te doen geloven dat hij de zwaartekracht en andere materiële conventies aan zijn zwarte schoenen lapt. Lang voordat grote filmauteurs abstracte schoonheid in hun films wisten te leggen, bereikte hij al complete perfectie met behulp van een gedienstige, onbetekenende regisseur, die Astaire liet dansen, en niet de camera. De enige onsterfelijkheid waar Mark Sandrich (1900-1945) aanspraak op kan maken dankt hij aan de vijf films die hij draaide (van de tien) met Astaire en Rogers.

Niet alleen door Cole Porters met de woorden 'Heaven, I'm in heaven' beginnende song 'Cheek to Cheek' heb ik de films van Astaire altijd geassocieerd met het paradijs. Als er een hiernamaals bestaat, zingen de engelen er met zijn stem en is elke beweging, elk gebaar moeiteloos raak van timing. Kennelijk was ik niet de enige. In The Purple Rose of Cairo (1985) eindigt Woody Allen zijn vertelling over de troost die Mia Farrow tijdens de Grote Depressie in de bioscoop vindt met een geluidsfragment van Fred Astaire. Zijn eigen depressies bestrijdt Allen liever met de anarchie van The Marx Brothers in Duck Soup, maar in de eschatologische verkenning van de onoverbrugbare afstand tussen filmhemel en aarde (want dat is het thema van The Purple Rose of Cairo), is Astaire de enige juiste keuze. Verstokte cinefielen hoeven maar in een enkel dogma te geloven: wat op het witte doek gebeurt, bevat meer waarheid dan de grauwe werkelijkheid. Bij menige film wankelt dat geloof, maar Astaire levert het onomstootbare bewijs dat er ten minste één engel is die op de punt van een speld kan dansen. Het antwoord op de vraag hoe veel nog meer, kan slechts leiden tot gezever van filmcritici.

    • Hans Beerekamp