Stadsprovincie van Andriessen is doorzichtige goocheltruc

De stadsprovincie Rotterdam moet er komen, vindt het kabinet. De commissie-Andriessen kreeg opdracht de botsende standpunten van rijk en gemeente te verzoenen. Volgens Harry Grosveld imponeert het advies meer door vingervlugheid dan door bestuurlijke gedegenheid.

Rotterdam heeft wat met bruggen. Bruggen verbinden vaak uitersten. Zoals de Erasmusbrug het stadscentrum en de Kop van Zuid aaneensmeedt, zo kreeg de commissie-Andriessen tot opdracht een brug te slaan van Den Haag naar Rotterdam. In overdrachtelijke zin, omdat het ging over het bijeenbrengen van sterk uiteenlopende standpunten van rijk en gemeente over het instellen van een stadsprovincie.

De echte brug werd prachtig, door iedereen bewonderd. Totdat de eerste najaarswind haar deed walsen en nu verstoren noodverbindingen het lijnenspel. Houdt de 'brug' van Andriessen het wanneer er tegenaan wordt geblazen? En levert zij inderdaad (regionaal en lokaal) een bestuur op dat de stad en haar ommeland zo hard nodig hebben?

Het eerste onthaal was in elk geval positief. Politici, zowel uit Haagse kringen als uit Rotterdam, haastten zich te verklaren dat de meningsverschillen inventief waren overbrugd. Het rapport was een hoogstandje; de stadsprovincie Rotterdam kan er komen en Rotterdam kan als gemeente blijven bestaan.

Ter herinnering: alle betrokken overheden (regering, parlement, provincie, omliggende gemeenten en aanvankelijk ook het stadsbestuur zelf) vonden indertijd dat de gemeente Rotterdam moest worden opgesplitst in zelfstandige gemeenten. Zo'n grote gemeente en een stadsprovincie zouden niet naast elkaar kunnen bestaan. Wat toen per se nodig was, hoeft nu ineens niet meer. Wat heeft Andriessen daarvoor gedaan? Is hij een tovenaar?

Hij maakt de stadsprovincie in zijn voorstel sterker en de gemeenten zwakker. In feite legt hij alle regionale taken bij de stadsprovincie en de lokale bij de gemeenten. Die laatste kunnen zich dan meer richten op de problemen van de burger in de dagelijkse leefomgeving. Die helderheid in taakverdeling zullen de burger en het bedrijfsleven kunnen waarderen. De gemeenten rondom Rotterdam zelf overigens niet, is inmiddels gebleken.

Andriessen gaat er vanuit dat daarmee tegelijk de competentiekwestie tussen centrumstad en het nieuwe regionale bestuur, zoals iedereen die van Rijnmond nog kent, is opgelost. Rotterdam blijft wel groot, maar raakt zijn bevoegdheden over haven, luchthaven, ontwikkelingsbedrijf, stadsontwikkeling, openbaar vervoer, theaters, musea enzovoort kwijt. De gemeente Rotterdam zal zodoende geen partij meer zijn voor de stadsprovincie Rotterdam.

Het is in ieder geval een prima argument om de stadsprovincie zo sterk mogelijk te maken, iets waar het kabinet steeds voor is teruggeschrokken. Maar het is cynisch tegelijk: als resultaat van het verzet mag de Rotterdammer zijn gemeente houden, maar dan wel ontdaan van haar bevoegdheden; als lege huls. Voor de lokale taken heeft ze immers de deelgemeenten al. Was vorige keer de opsplitsing van Rotterdam de achilleshiel van het voorstel, nu lijkt die rol weggelegd voor het vóórtbestaan van Rotterdam, maar dan als quantité négligeable.

Zal het gaan zoals Andriessen zegt? Zal de nieuwe provincie de uitgeklede gemeente kunnen weerstaan? Voor het beantwoorden van die vraag is weinig voorspellend vermogen nodig, om de eenvoudige reden dat in de politiek vooral de macht van het getal telt. En met zo'n 600.000 inwoners blijft die macht waar zij thans ook ligt. Natuurlijk weet Andriessen dat. Evengoed als het kabinet. En de Rotterdamse gemeenteraadsleden hadden het op z'n minst kunnen weten toen ze al heel snel “ja” riepen. Men weet dat het niet zal werken, dat Andriessen niet kan toveren. Het lijkt dus eerder een goocheltruc.

Die indruk wordt nog eens bevestigd door de haast die men heeft. Het rapport van Andriessen staat er bol van: “de toekomst wacht niet” en “iedereen heeft baat bij duidelijkheid op korte termijn; dat vereist kloeke besluitvorming”. En de inkt is nog niet droog of het kabinet laat weten het advies te willen volgen.

Een tovenaar neemt de tijd, een goochelaar moet het hebben van snelheid; na de ene truc komt de volgende, geen tijd tot (be)denken geven. Eerst die stadsprovincie erdoor, zo lijkt men te hebben afgesproken. En we maken er een dynamisch model van, dus de rest zien we later wel. En het model geldt niet voor Den Haag en Amsterdam, dan hoeven die er zich ook niet mee te bemoeien.

De volgende scenario's zal men zeker overdacht hebben. De sterke stadsprovincie komt er, de gemeente Rotterdam blijft bestaan. Omdat dan in Rotterdam twee bestuurslagen verantwoordelijk worden voor de lokale zaken, de gemeente en de deelgemeenten, zal men taken terug gaan halen naar het stadhuis aan de Coolsingel.

De positie van de deelgemeenten komt vol in discussie. Intussen gaat dat stadhuis zijn politieke invloed (bijvoorbeeld bij het verdelen van het geld) en zijn overgebleven lokale bevoegdheden (zijn “hindermacht”) maximaal benutten. Dat wordt een competentiestrijd met de stadsprovincie en de deelgemeenten waar iedereen zich aan zal ergeren. In een geheel ander, minder waarschijnlijk scenario gedraagt de gemeente Rotterdam zich tegenover de stadsprovincie als een grijze muis en laat de lokale zaken bij de deelgemeenten. Ze doet niets meer.

In beide gevallen, lastig of grijs, zal over enige tijd de vraag aan de orde komen wat voor zin het heeft om die grote gemeente te handhaven. Reden om alsnog tot opsplitsing over te gaan.

En wat zal de Rotterdammer, die een tijdje de illusie was gegeven dat er naar hem was geluisterd, er dan van vinden? Hij zal het niet meer weten. Hij mag drie keer gaan stemmen. Eén keer voor iets waarin hij zijn vroegere gemeente zal herkennen, de stadsprovincie. Dan voor zijn oude gemeente die hij niet meer terug zal kennen. En ten slotte voor de deelgemeente, die ook al niet de oude is gebleven. Zál hij nog wel gaan stemmen?

“Rondom het referendum speelden emoties een grote rol”, zo schrijft Andriessen. Hier kan de commissie er wel eens net zo naast zitten als indertijd de plaatselijke politiek. Zo simpel was het namelijk niet. Die emotie ontstond omdat de Rotterdammers (én de Amsterdammers) heel goed aanvoelden dat je een stad niet zomaar in een aantal zelfstandige gemeenten kunt splitsen, dat op die manier de samenhang er uit gaat en de stad versplintert. Dat gevaar is dus nog lang niet geweken.

B en W van Rotterdam voelen dat aan. Weliswaar reageren zij “blij verrast” op de voorstellen en ze willen er ook mee door, maar ze tonen zich bezorgd over de verhouding tussen de stadsprovincie en de stad. Met het oog op dat laatste verwachten zij een discussie over een “samenval” van beide besturen. Dat kan een moeilijke worden voor Binnenlandse Zaken, de trouwe bewaker van het 'huis van Thorbecke'.

Zo gaat zowel vanuit de stad als vanuit de ommelanden en ook vanuit de provincie een andere, guurdere wind waaien. Zal 'de brug' van Andriessen het houden? Zullen de constructeurs het probleem voorlopig ook oplossen met wat noodverbanden?

Er is één verschil. De Erasmusbrug is klaar, echte verbeteringen zullen zeer ingrijpend zijn. De brug van Andriessen is nog slechts een schets op papier, constructiefouten kunnen nu nog worden gecorrigeerd.

Laat men dit willens en wetens na, dan staat vast dat het de komende jaren zeer onrustig zal worden in bestuurlijk Rotterdam. En dat is nu net wat stad en ommeland volgens de architecten niet kunnen gebruiken.